:f*f*

bimm^tm*':^^'^^

WERKEN UITGEGEVEN DOOR

DE LINSCHOTEN-VEREENIGING

XXV

DE EERSTE SCHIPVAART DER NEDERLANDERS NAAR OOST-INDIË ONDER

CORNELIS DE HOUTMAN

1595—1597 II

DE OUDSTE JOURNALEN DER REIS

UITTREKSEL UIT DE STATUTEN.

Art. 2.

De Linschoten-Vereeniging heeft ten doel de uitgave in het oorspronkelijke, van zeldzame of onuitgegeven Nederlandsche zee- en landreizen en landbeschrij vingen.

Werken van anderen aard worden slechts uitgegeven, indien daartoe bijzondere aanleiding bestaat.

Art. 3.

De Vereeniging bestaat uit eereleden, donateurs en gewone leden.

Over het toetreden der leden beslist het Bestuur.

De gewone leden betalen een j aarlij ksche bijdrage van vijftien gulden.

Donateurs zijn zij, die een bijdrage in eens van ten minste / 500. aan de Vereeniging schenken, of jaarlijks een contributie van minstens / 40. betalen.

Art. 4.

Het lidmaatschap loopt van den eersten Januari tot den laat- sten December.

De leden, die niet langer als zoodanig wenschen aangemerkt te worden, moeten daarvan aan den Secretaris vóór den eersten De- cember schriftelijk bericht zenden. Bij gebreke daarvan blijven zij aansprakelijk voor de bijdrage van het volgend jaar.

Art. 5.

De leden ontvangen een exemplaar van de werken, die door het Bestuur aangewezen zijn voor het jaar of de jaren, waarvoor zij hunne contributie hebben betaald.

Voor alle nadere inlichtingen wende men zich tot den Secre- taris-Penningmeester, Lange Voorhout 9, 's-Gravenhage.

REGELEN

VOOR DE UITGAVEN DER

LINSCHOTEN-VEREENIGING

1. Zooveel mogelijk zal elke Zee- of Landreis, dan wel Landbeschrijving, afzonderlijk worden uitgegeven. Slechts bij al te geringen omvang van een dezer, kan een andere tekst toegevoegd worden aan de uitgave; deze toe te voegen tekst moet evenwel aansluiten in onderwerp, of den hoofdtekst aanvuUen. Groote teksten worden in meer dan een deel gesplitst.

2. Voor elke uitgave wordt den bewerker als eisch gesteld: dat zij bevat als Inleiding een korte Biographie van den schrijver van 't reisverhaal; een uiteenzetting van de Aanleiding tot de reis; en een Bihliographie van eventueele vroegere drukken van het reisverhaal; voorts ophelde- ring in den vorm van Noten onder den tekst, daar waar de tekst op- heldering vereischt; en een Register of {Registers), benevens een üjst van geraadpleegde werken met plaats en jaar van uitgave aan 't slot.

3. De bewerker heeft vrijheid, in zijne Inleiding het resultaat eener reis ook te beschouwen in zijn verband met later ondernomen reizen naar dezelfde streek of streken.

4. De noten onder den tekst moeten sober blijven, en niet vervallen in uit- weidingen. Is er echter bepaalde noodzakelijkheid om dieper in te gaan op het een of ander gedeelte van den tekst, dan mag dat geschieden in eene Bijlage achteraan. Ook hier echter bhjft soberheid plicht.

5. De tekst zelve moet met de grootste nauwkeurigheid herdrukt worden naar de beste oudere uitgaven, c.q. nauwkeurig gedrukt naarhethand- schrift dat voor de uitgave dient. De origineele paginatuur van dien standaarddruk, dan wel van het handschrift, wordt in de uitgaven der Linschoten-Vereeniging tusschen groote haken [ ] dooiloopend mede- opgenomen.

6. Als algemeene regel geldt dat de tekst onverkort wordt gedrukt. Uitla- tingen zijn slechts dan veroorloofd, als het iets heel onbelangrijks geldt. De bewerker moet dan echterin een noot toch rekenschap geven van wat hij wegliet.

7. Indien er voor de kennis van eene bepaalde Zee- of Landreis, behalve de aan den druk ten grondslag gelegde tekst, in archieven of bibliothe- ken nog andere bronnen bestaan, moeten deze bij de uitgaven gebruikt en (indien noodig) in inleiding, noten of bijlagen verwerkt worden.

8. Het opnemen van kaarten en platen wordt aan den bewerker overge- laten, in overleg met de Commissie van voorbereiding.

Zij, die als lid toetreden tot de Linschoten-Vereeniging (jaarlijksche contributie / 15. )

kunnen één exemplaar van onderstaande werken ontvangen als volgt:

1909. I. De Reis VAN Jan CoRNELisz. Ma.y voor/ 10

Henry Hudson in Holland uitverkocht

1910. II. Itinerario VAN J. H. VAN Linschoten. 2 dln voor/ 20.

III. Korte Historiael ende journaels aenteyckeningen

VAN VERSCHEYDEN VOYAGIENS DOOR D. DAVID PiETERSZ. DE

1911. ^ ,r

VRIES voor - 10.

IV. De Reis van Mr. Jacob Roggeveen voor - 10.

V. Beschryvinghe van het Gout Koninckrijk van Gunea

DOOR P. DE .Marees voor - 10.

1912 ^

VI. Toortse der Zeevaart, door Dierick Ruiters, Samuel

Brun's Schiffahrten voor - 10.

1913. VII. De Eerste Schipvaart der Nederlanders naar Oost-

Indië onder Cornelis de Houtman, 1595 1597 voor - 20.

V^III. Reizen van Jan Huyghen van Linschoten naar het

Noorden voor- 15.

1914 /

l.X. Dirck Gerritsz. Pomp, alias Dirck Gerritsz. China. Zijn

reis naar en verblijf i.n Zuid-Amerika voor - 10.

X. De Open-Deure tot het Verborghen Heydendom door

1915. { Abraham RoGERius voor -10.

XI. Reizen IN Zuid-Afrika IN DE Hollandse tijd. Deel I . . . voor - 12.

1916 J XII. Reizen IN Zuid-Afrika IN de Hollandse TIJD. Deel II. . . uitverkocht

XIII. De Oost-Indische Compagnie IN Cambodja EN Laos . . . voor/ 15.

XIV. Reizen van Wille.m Barents, e. a. naar het Noorden.

Deel I uitverkocht

1917 ^ XV. Reizen van Willem Barents, e. a. naar het Noorden.

Deel II uitverkocht

1918. XVI. Journael van de reis naar Zuid-Amerika, 1598 1.601,

door Hendrik Ottsen voor/ 15.

1919. XVII. De Reizen van Abel Janszoon Tasman en Franchoys

Jacobszoon Visscher, 1642 44 voor - 20.

1920. XVIII. Verh.\al van het vergaan van het jacht de „Sperwer" voor - 12. XIX. Henry Hudson's Reise onder Nederlandsche vlag . . voor - 12.

1921. y XX. Reizen i.n Zuid-Afrika i.n' de Hollandse tijd. Deel III . voor - 12.

1922. ] XXI. De reis van Mahu en de Cordes door de Straat van MagalhSes NAAR Zuid-Amerika EN Japan. Deel I .... voor -12.

XXII. De reis van Mahu en de Cordes door de Straat van

MagalhSes naar Zuid-Amerika EN Japan. Deel II .... voor - 12.

1923. ) XXIII. Hessel Gerritsz beschryvinghe van de Samoyeden

1924. 1 landt en Histoire du pays nommé Spitsberghe voor - 8.

XXIV. De reis van Mahu en de Cordes door de Straat van

MagalhSes naar Zuid-Amerika en Japan. Deel III. . voor - 10. Wat den inhoud en het uiterlijk betreft sluiten zich de onderstaande werken bij de uit- gaven der L.-V. aan. Zij worden voor de leden der L.-V. voor verminderden prijs verkrijgbaar gesteld.

Baldaeus, Afgoderye der Oost-Indische Heydenen voor/ 10.

Burger, De Poolzeereizen van 1595 1596 voor - 5.50

DE ViLLiERS, Storm van 's-Gravesande voor - 12.

Wessels. Early Jesuit Travellers in Central Asia voor -10.

IJzerman, Cornelis Buysero te Bantam, 1616 18 voor - 7.50

Digitized by the Internet Archive

in 2010 with funding from

University of Toronto

http://www.archive.org/details/deeersteschipvaa02rouf

DE EERSTE SCHIPVAART

DER

NEDERLANDERS

NAAR OOST-INDIÊ

ONDER

CORNELIS DE HOUTMAN

1595—1597

JOURNALEN, DOCUMENTEN EN ANDERE BESCHEIDEN UITGEGEVEN EN TOEGELICHT DOOR

Dr. G. P. ROUFFAER en Dr. J. W. IJZERMAN

II

DE OUDSTE JOURNALEN DER REIS :

VERHAEL(i597),JOURNAEL(i598),VANDERDOES(hs.) met 15 kaartjes, 18 platen en 6 facsimile's

'S-GRAVENHAGE

MARTINUS NIJHOFF 1925

DC

V

INHOUD.

Bladz.

Opdracht xvii

Inleiding xix— lxxxii

I. Verschil tusschen het Eerste Deel dezer uitgaaf (19 15) en den inhoud van dit Tweede Deel (1925), xix xxi. II. Verhael (begin Nov. 1597). xxi xxxv.

De tekst een wonderlijk samenstel van een slecht eerste derde deel, met, van Enganoaf, een goed vervolg, xxi xxiii. Vergeefsch zoeken naar den naam des auteurs van dat goede vervolg, een adelborst a/b Hollandia, onder de 19 ons be- kende adelborsten op de vier schepen, xxiii xxx. De aard der Platen, xxx— xxxiv. Hooge zeldzaamheid van een volledig exemplaar, xxxiv, De oorspronkelijke Op- dracht van den uitgeverLanghenes, xxxiv xxxv.

Ia. Tweede drukvaan het Verhael (Dec. 1597), xxxv xxxvii. Deze 2e druk door Langhenes tot nog toe een unicum, te Syd- ney sinds 1901, uit de verzameling- Royaards van den Ham. Een copie door Tiele uit 1868 te Leiden aanwezig.

Ib. The Description of a Voyage etc. (Febr. 1598).

XXXVII— XLI.

Is een vertaling naar I», xxxvii xxxix. De twee verras- sende Opdrachten door Langhenes, en Wolfe, waarvan de eerste nergens elders te vinden, xxxix xl. De onwaar- schijnlijkheid van nog een andere Eng. vertaling; en de twee Duitsche vertalingen van begin 1598; xl— xli. II. Journael (begin Maart 1598). xlii xlvhi.

Gehalte van het Journael geheel superieur aan het Verhael in het eerste 3e gedeelte; daarna zóó sterk gelijkend op dat Verhael, dat de uitgever Langhenes in hoofdzaak het Ver- hael moet hebben herdrukt, met gebruikmaking van het handschrift van een anderen, ook onbekenden, adelborst a/b Hollandia, xlii— xlv. Het geheel andere, cosmo- politische, karakter van deze Middelburgsche uitgaaf van Langhenes, stil gerugsteund hierbij door reeder Moucheron; prikkel hierdoor op den uitgever Cornelis Claesz te Amster- dam ; XLV XLVIII.

II». Appendix op het Journael (begin Maart 1 598),

XLVIII L.

Proeve van oplossing der persoonlijkheid vanden samensteller Cornelis Gerritsz. van Zuidland.

Inleiding (vervolg). 3,^^^

Ilb. Addition to the Sea Journal (begin April 1 598).

L LIV.

Is een vertaling van II», maar later verschenen ; en daardoor thans op één exemplaar te Amsterdam na steeds ont- brekend achter The Description. Onverklaardheid van den persoon Mathias Ratten, wien de Opdracht van den uitge- ver Wolfe geldt.

Illa. Onbeke n d Capittel 19» van LoDEwycKSZ (midden April 1598). LIV— Lxxi. Opzettelijke geheimhouding van dit Capittel, liv— lvi, De Port. kaartenmaker Bkrïholameu Laqo, en zijn 8 kaar- ten van 1590, LVI Lvii. De primaire Grenslijn (Nul- raeridiaan) door Brazilië, bij den mond der Amazone, en de secundaire Molukksn-meridiaan 180° Oost, over het eiland Guam (Zuid-Ladronen), als politieke scheidingen tusschen Spanje's en Portugal's koloniale macht sedert 20 Juni 1530 (ratificatie door Joao III van het Molukken-Traktaat, dd. Zaragoza 22 April 1529), Lvii lx. Inbreuken op dien „Molukken-meridiaan" door Spanje, om zich meester te ma- ken van de Filippijnen. Stichting van Manila door Legazpi op 19 Mei 1571. Portugal's val als zelfstandige mogendheid, 17 Juli 1580. lx LXii. Lago's kaarten van 1590 als politiek monument, LXii lxvi. Goede kaarteering der Filippijnen door Lago naar (ons onbekende)Spaansche bron- nen, lvi— lxxi.

IV. Franck van der Does' Gort Verhael (Sept. 1597).

LXXI— LXXX.

Van der Does, alias Verdoes, de eenige Leidsche student op Houtman's vloot ; partijganger van Commies Van Bonin- GHEN. lxxi Lxxiv. Brief van adelborst Lambert Bies- man aan zijn vader, den burgemeester van Nijmegen, dd. Amsterdam 9 Sept. 1597, over den gevangen Van Bonin- ghen,LXXiv— Lxxvi. Het gehalte van het Journaal- Van der Does, lxxvi— lxxviii. Slot van 't leven van Franck,

LXXVIIl LXXX.

Slotwoord van dit Tweede Deel, lxxx— lxxxii.

Corrigenda en Addenda lxxxiii— lxxxvii.

XI

Bladz. I (1597).

I^cröacï faanbc ^txxét öp öc ï|aïïanbt?'cf|c .^djepcu gebacn nacc (i^op't 3|ntiicii / ^aer abontucc cnbe ?ucce^ / (Jc . 1-76

P (1597). t^crïiad baiibc ïScy^cJ&y bc J^aïïanbtódjc^cïicpcn nljebaen nacj: o^o^'t 3[iibicn / öaer abantuec Piibc ?^ucce^ / de. . . 77-87

(Inleiding van dezen 2^", gewijzigden druk, 79-80. Voor- beelden van wijzigingen, 81-84. Conclusie, 84-86. De platen van den 2endruk, 86-87.)

P (1598).

The Description of a voyage made by certaine ships of Holland into the East Indies. With &c.

Translated outof Dutch intoEnglishby W.[illiam]P.[hillip] 89-112

(Inleiding van deze vertaling naar 13,91-95. Voorbeelden dat de vertaling geschiedde «zV/ naar I, doch naar I», 95-99.

De kaartjes van Ib zijn houtsneden, geen koperdrukken ; 99-100. Slotbeschouwing, £00-102.)

CÖe Cpi^tle Wtbicatatlt, 103-105. CDe €}fi^t\t, 106-109. (SdbDltlon^, 1 10— 112).

II (1598).

Sfaurnacï banbe fiep^e iizt ^oünniit^cijt ^cï^tptn ggebaen iii o^o^^t liibtcn / baep Cocr^en / ^trcrftinnfien cnbe Ucccmbc abontucrcn de "3-144

(JVofa bene. De varianten van den tekst na 6 Juni isgó, verge- leken met I, zijn als voetnoten onder den tekst van I, p. 13-76, geregeld afgedrukt.)

IP (1598).

SC p p c n b i ? oft ^^^Ai^td^^tX achter t^faurnacï Uanbc %t^it bcc ^ollant^ctjc ^ctjcpcn op 3faba df 145-188

Voorwoord, 147 150.

(Landverkenningen, ontleend aan hs. A, het Journael van stuurman Jacob Jansz. Kackerlack a/bHollandia, 151-161).

c^omniiflöE .USalEy^cfie luootbcn, 162-168. aöcgcötöbln- gf|c Bant «Éylfltit cnbe CobincftriJcR ^^/y, 169-171. '&tt* clfltfngïjE be^er cactte, ban \ytx. «Conintfilpe cplanbt Baly^ 172-174. Stf^contcrfeptinaïiE cnbt fic^cötöbinge ccn^ UtEEmbcn ©ogÖEl^, ÖÖEnflEint Eme, ^75-176.

Bijlage: De Landverkenningen van het Appendix, 177-188.

XII

Bladz. IP (1598).

An Addition to the Sea lovrnal or Nauigation of the Hollanders vnto laua, containing &c. Compiled by Cornelius Geraldson of Zuid- land. [Translated by William Phillip] . . . 189-202

(Inleiding: Groote zeldzaamheid, 191. Zonderling samen- voegen van een Appendix, vertaald naar Ila, achter een hoofdtekst, vertaald naar (in plaats van naar II), 191- 193. De platen van Ilt» zijn weder houtsneden (op één na, zie onder), 193. Wie waren bemiddelaars voor Phil- lip's vertalen van beide teksten? 194-198. Wedijver tusschen Barent Langhenes en Cornelis Claesz als uitge- vers, 198-199.)

(Cf|E iïEpi^tïe ©Ebicatotie, 200-201.

The Islande Baly, de eenige koperprent in deze uitgaaf, 20S. IIP (1598).

25e^cÖtpbinöe tjanbe ^tratcn ofte engten ban jcBaïacca

cnbe ^linba / ^f* Toevoeging tot Willem Lodewycksz' D'Eerste Boeck, ed. 1915 203-229

(Inleiding over de verheimelijking van dezen tekst in 1598, met facsimile, 205-210. Tekst, 211-221.)

Naschrift : (het opzettelijk weglaten in dezen tekst van in- formaties over de Molukken, 222-223. Het knoeien met lengtegraden sinds 1522 op Spaansche en Portu- geesche kaarten van den Indischen Archipel, 223-225. Het antagonisme tusschen Ds. Plancius en Huygknvan LiNscHOTEN, over en weer, 226-229.)

Nadere Corrigenda op III, ed. 1915 (verg. ook Bijlage JIJ) 231-238

IV. (Franck van der Does ; hs. R. A., Sept. 1597).

Cort beröacï bantre JiSauigatic ofte Jldjijpbaert getiacn fiü ^o^ten öe Cabo 25ona ^perj 3f 239-378

XIII

Bladz. BIJLAGEN I— III :

I. De door V. D. Does vermelde, en de ware breedten ... 379 II. De oorzaken van den plotselingen dood van Schipper Mue- LiNAER a/b Mauritius, 25 Dec. 1596, beoordeeld, naar de gegevens in de Scheepsjournalen van V. d. Does en Kaerel, door de privaat-docenten in de gerechtelijke geneeskunde te Amsterdam en Leiden, C. J. van Ledden Hulsebosch

en Dr. G. O. E. Lignac , . 380-383

III. Nog nadere Corrigenda op Lodewycksz' D'Eerste Boeck,

ed- 1915 , 384-386

Kaart I. ( V e r h a e 1 ; A 4r°, links boven). Het punt van Africa. 8

II. ( B ir°, ). Madagascar ... ,

Ila. (Ms.-kaart van Berth. La^o; 1590). Sao Louren^o (Ma- dagascar) 8(2)

III. (Ver ha el; B 4r°, links boven). Svmatra . . . .14(2)

.. IV. ( C 2r°, ). lava

V. (J o u r n a e 1 ; H 4r", links boven). Het Eylant S. He-

lenai) 68

Va. (Admirality Chart N°. 1771, May 1922). St. Helena,

I : 200.000

VI. (Jo urn ael; A4r°, linksboven). Het punct van Africa 124

VII. ( B 2r°, ). Madagascar ...

„(VIII). (Appendix; Dd 2r"). Insvla Bali (ruim 4/^ der

grootte). Verg. Plaat 14 173

IX. (Ms.-kaart van Berth. Lago; 1590). Westhelft van den

Ind. Archipel 224

X. Situatie-kaartje van het Baloeran-gebergte, het Idjen- hoogland (met rookenden Kawah Idjen op 10 Dec. 1821) en den Raoen op den achtergrond; 1 1500.000 (zie onder pi. 16) 332

XI. (Ms.-kaart van Berth. LaQo; 1590). Oosthelft van den

Ind. Archipel. . lxiv

XII. { y, » » ). Nieuw-Guinee, met.

de Molukken. . lxvi

XIII. ( ..»,„» ). De Filippijnen . . lxx

i) In bet Verhael isopH ir°, links boven, een recbthoekig blanco gelaten, met bo- venschrift : Het Eylandt S. Helena.

XIV

Bladz.

Platen

Titelblad van Verhael vandeReyse( 159 7) i

1. (Verh ael, A3). Een wilt Man opdeCaepde BonaSperansa;

d°. vant Eylandt Madagascar 6

2. ( B2). Een man aen de Bay van Tangil; Eenen

Os van deser contreyen; Een Coninck uyt [Oost-Madagascar] 10

3. ( C). Een Overste van Sumatra; (Een Portugees

te Bantam) 14

4. ( C3). Conterfeytinghe der stadt Bantam int Ey-

landt Java 16

5. ( D2). Een Javaansche vrouwe in Bantam; Een

Javaensche man ; Een uyt China te Bantam 2 6

6. ( D3). Een wilt mensche [van Engano]; Een man

in Bantam ; Een [aanzienlijke] vrouwe op Java 26(2)

7. ( D4). Schepen ende Schuyten van Java. . . . 26(3)

8. ( E2). Chinen in hare cleedinghe buyten Bantam

op de Marckt ; Een Chinesche Vrouwe . . 30

9. ( E4). Een schermutsinghegheschiet voor Bantam 34

10. ( G3). Conterfeytinghe des Conincks van Bally . 60 Titelblad van The Description 89

lournael vande Reyse 113

11. (Journael; 64 = Plaat 2 hierboven). [De koperplaat is vrij

wat gewijzigd]. . . 136

12. ( D3= 4 ). [De mësigit is op goed

geluk toegevoegd] . 144

13. ( F3 = 7 ). [Het bovenschrift is geheel anders ; een figuurtje werd op de koperplaat toegevoegd]. 144(2)

Titelblad Appendix 146

Additions to the Sea lournal 190

14. (Additionto theSealovrnal; zonder signatuur tus-

schen C iv° en C 2r°). The Islande Baly. Grauen by William Rogers . 202

15. E iv° = Plaat 7 en

13; nieuwe houtsnede). Shippesand scutesof /az^^. 202(2) 16I). Aquarel van A. J. Bik dd. 10 Dec. 1821 : Kaap Sedano in het

Westen te zien (uitslaatid) 332

i) Het op deze plaat afgedrukte volgnummer Deel XXIII Plaat 14, verandere men in: Deel XXV Plaat 16. De Platen 16 18 vallen buiten den tekst van Franck v. d. Does.

XV

Bladz.

1 7 . Oudhollandsche scheepstypen met marszeilen en blinde, boeve-

net en galerij ^78

18. Oudste Hollandsch schip met klein bramtuig aan den grooten

top, 1606 (gedeelte van het rechterblad der unieke koperprent in 4 bladen door Jan Saenredam, in 's Rijks Prentenkabinet te Amsterdam ; ^/^ der grootte) 386

Facsimile's:

(i). De Aguada S. Braz (Mosselbaai) volgens het hs. van stuurman Jacob Jansz. Kackerlack (A) in 's Rijks-Archief ; 7/jq der grootte 180

(2). De Keizerspiek (Santa Madre ; Goenoeng Téuggamoes) in Zuid-

Sumatra, volgens hetzelfde hs.; bijna volle grootte. . . 186

(3)- 'JSe^cBtgtifnge banhe c^tcatcn ofte engten ban Jliaalacca cnbe «êunöa Jfcc. (verheimelijkt uit de teruggehouden groote Kaart VII bij Lodewycksz; halve grootte) 207-208

(4). Begin-bladzijde van het hs. in 's Rijks Archief met het Jour- naal van Franck van der Does ; 3/g der grootte . tegenover 240

(5). Akte dd. 29 Dec. 1596 a/b Mauritius, om Cornelis de Houtman vrij te laten ('s Rijks Archief; volle grootte; uitslaand)

tegenover 2,"^^)

(6). Bertholameu Labo's waarmerk op den achterkant van 't Begin-

blad van zijn Zeetlas, 1590 lxii

AAN

DE NAGEDACHTENIS

VAN

JHR. JAN KAREL JACOB DE JONGE

INLEIDING.

Terecht hehhen -wij in igi5 als Eerste Deel uit de talrijke Journalen omtrent „De Eerste Schipvaart der Nederlanders naar Oost-Indië on- der Cornelis de Houtynan, 1595 1597" voorop doeti gaan den tekst van Willem Lodewycksz, D' Eerste Boeck, medio April 1598 te Amsterdam verschenen hij Cornelis Claesz op het Damrak. Als afgerond geheel, rijk aa7i inhoud, veel meer dan eenig ander Jour- naal volledig, en met zeer bizondere Capittels over Java en Bali ver- rijkt, icas dit in waarheid een Boek dat wel een Journaal, een officieel- Amsterdamsch Journaal zelfs, tot gro-ndslag had, maar door de ruim- te aan geest van den samensteller, en door de gezonde eerzucht bij Am- sterdamsche reeders en den Amsterdamschen uitgever, gegroeid was tot wat wij thans noemen een standaard-werk.

Maar de arbeid daartoe vereischt, zoowel in tekst als in afbeeldin- gen en kaarten, had dit „D' Eerste Boeck" tevens gemaakt tot het laatst-verschenene der contemporaire uitgaven over de eerste Oostindiê- vaart der Nederlanders.

Daarvóór hadden te Middelburg twee Journalen reeds het licht ge- zien, één in najaar 1597, zelfs nog licht gewijzigd herdrukt in het eind van dat jaar, en één in begin 1598, alle drie bij denzelfden uitgever Barent Langhenes, welke ten volle het karakter van Zeejournalen droegen, gehouden door eenige personen, van begin tot het eind aan boord der Hollandia. En deze twee Journalen, bij het tweede nog vermeerderd door een curieus Appendix uit andere bron, hadden zoo- zeer ook in den overgang van 1^97 op '98 de aandacht getrokken van een ondernemend uitgever te Londen, John Wolfe, dat hij door een soort vakman-vertaler van niet al te groote bevoegdheid, ten name WiLLiAM Phillip, ZOO snel mogelijk een tweetal Engelsche boekjes van respectievelijk 88 en 42 bladzijden het licht had doen zien, met een vrij slordig translaat naar den herdruk van het eerste Journaal, en een dito translaat van het Appendix op het tweede, na elkaar ver- schenen in Februari en begin A pril 1598.

Deze vijf werkjes, de drie Middelburgsche in dat mooi-langwerpige for?naat dat men steeds nieuw op prijs blijft stellen bij onze oude Nederlandsche zeevaart-uitgaven {20 X 26 cM.), de Londensche in

XX

het zooveel minder bekoorlijke klein kwarto formaat {ig x 15 cM.), waarop de uitgevers in Holland pas 50 jaar later hun zuiniger zinnen en leelijker letters zouden gaan zetten, waren aldus voorafgegaan aan D' Eerste Boeck, dat natuurlijk ook in oblong formaat in April I5g8 te Amsterdam zou verschijnen; in de maand dus vóór de Tweede Schipvaart van 8 schepen onder Admiraal Jacob van Neck, op kosten weder van dezelfde Amsterdamsche reeders, te Texel met i Mei een nieuwe reis naar Bantam zou aanvangen; en een week of drie nadat de leider der Eerste, Cornelis de Houtman, vergezeld door zijn broer Frederick, overgegaan in dienst van den Vlaamschen reeder Mou- CHERON te Veere, op 25 Maart als resp. Generaal en kapitein van twee schepen te Vlissingen koers hadden gezetnaar Atjeh, en zelfs een tweede smaldeel van 3 Zeeuwsche schepen, uitgereed door Middel- burgers, op dienzelfden datum er verzeild waren naar Bantam.

Zóó als dus deze twee Zeeuwsche Oostindiê-vaarten van kleiner ka- liber op 25 Maart 'g8 vóórafgittgen aan de groote Amsterdamsche op I Mei, zoo waren, vóór Lodewycksz' Eerste Boeck van April 'g8 te Amsterdam, in Zeeland twee Journalen reeds verschenen van kleiner omvang: Ad Verliael in najaar isgy; het Joumael in voorjaar i^gS. Haiidboekjes zoo te zeggen voor de Veersche en Middelburgsche smal- deelen, naast het latere handboek van Lodewycksz voor de Amster- damsche vloot.

De inhoud nu van dit ons Tweede Deel bevat die voorloopers van Lodewycksz' tekst.

Conform de nummering, die wij van den aanvang af in het Voorwoord tot de uitgave van D' Eerste Boeck in igi5, p. xxvi— XXVII < kortheidshalve aannamen, bevat dit Tweede Deel dus: I {het V e r h a e l; de editio princeps van al deze Journalen) met zijn derivaten Ia {den licht gewijzigden herdruk), en Ib {de Engelsche ver- taling van dien herdruk); voorts II {het Joumael) met zijn aan- hang Ila {het A pp en di x), en Ilb {de Engelsche vertaling van dat Appendix).

Hiermede zijn de oude gedrukte bronnen vóór Lodewycksz ons nummer III feitelijk compleet.

Maar door een zeer gelukkig toeval konden wij hier als groote nieuwheid toevoegen, een stuk van dien tekst van Lodewycksz, een brokstuk van III dus, dat wel degelijk in April isg8 gedrukt is ge- weest en gereed voor de uitgave, maar . . . verdonkermaand is gewor- den. Dank zij den speurzin van Dr. F. C. Wieder, en de gulheid van den tegenwoordigen eigenaar dezer uiterste zeldzaamheid, den Heer

XX T

W. A. Engelbrecht te Rotterdam, waren wij in staat hier voor het eerst af te drukken een op het laatste oogenblik verheimelijkt „Capit- tel" uit Lodewycksz' tekst; afgedrukt op den rugkant van een even- eens met opzet teruggehouden groote kaart der Westhelft van tegen- woordig Ned. Oost-Indië, welke wij, zonder dien tekst op de rug- zijde, als groote noviteit nog juist hadden hennen toevoegen als Kaart VII in ons Eerste Deel van 1915.

Was hiermede de kring volledig afgesloten van al wat tot i Mei I5g8 in druk bestemd is geweest voor het Nederlandsche publiek, zoo zouden we onrecht hebben gedaan door niet één Journaal van de Eerste Schipvaart toe te voegen, dat weliswaar niet bedoeld was voor publica- tie in dien tijd, en zelfs pas twee en een halve eeuw later openbaar is gemaakt, maar dat door zijn eigenaardig en onafhankelijk karakter de twee Zeeuwsche en het eene Amsterdamsche mooi aanvult en afrondt: het Cort Verhael van den Hagenaar Franck van der Does, oomzegger van den toenmaligen Schout van Amsterdam, eerst eenige jaren stu- dent te Leiden, dan als Adelborst opvarende van diezelfde Hollandia, waarmede ook de onbekende stellers van I en van II de gansche reis uit en thuis hadden gedaan. Dit Cort Verhael, voor het eerst in 1864 afgedrukt door]\\i. Mr. J. K. J. de Jonge in deel II van zijn prach- tig seriewerk De Opkomst van het Nederlandsch gezag in Oost-Indië" , door ons genummerd als IV, voltooit aldus dit ons Tweede Deel.

Het past thans, deze bronnen elk afzonderlijk te beschouwen.

I. (Verhael; begin Nov. 1597).

De eerste, en groote, moeilijkheid die zich al dadelijk voordoet bij het Verhael, is de sterke tegenstrijdigheid tusschen het gehalte van het eerste derde deel, de uitreis Amsterdam Engano {via Afrika' s Zuidkust bij de Mosselbaai; en een langdurig gedwongen verblijf op twee plekken van Madagascar, de Z.W. en de N.0. kust), met de heele verdere reis : Straat Soenda Bantam {waar men van 2j Juni tot 6 Nov. 1596 verbleef, met allerlei wederwaardigheden), Djakétra, Sêdajoe Lawas {moordpartij op 5 Dec), Arosbaja {gevecht met Ma- doereesche prauwen, 8 Dec), Bawean, straat Bali, Balambangan, Bali's Zuidkust tot de Laboehan Amoek, en vandaar op 26 Febr. 'g'/ in één trek door naar huis, naar de reede van Tessel, onder voorbij- zeilen van St. Helena.

Het eerste derdedeel {Amsterdam 10 Maart i^g^ Engano 5 Juni '96) is méér dan slordig en oppervlakkig van inhoud, en beslaat in

XXII

onzen druk daargelaten de geleerde inleiding van den uitgever Lan- GHENES, p. j 4 nauwelijks g bladzijden, p. 4 onderaan 15. Daarbij begint dan op N.0. Madagascar, in de baai van Antongil, eind Januari 'g6, een innerlijke verbetering van den te voren prulligen, en meermalen sterk fotitieven tekst; een verbetering die op p. 11 inzet bij ons.

Maar het verdere twee derde der reisbeschrijving (Engano Texel, 5 Juni i^gó 14 Aug. 'gy), de andere helft in tijdruimte beslaande van het geheele verloop der onderneming, is met zooveel nauwkeurig- heid eji zooveel zeekennis en zaakkennis te boek gesteld, dat het met zijne ongeveer 30 bladzijden tekst in onzen druk {p. 14 y6, op de helft van den omvang geschat wegens de toegevoegde Noten), aan Langhenes opnieuw tót legger kon dienen voor de uitgaaf van het Journael, een half jaar nadat hij het Verhael in 2 edities op de boe- kenmarkt had gebracht; men zou haast zeggen: geworpen.

Hoe kan dat nu, bij mogelijkheid?

Alleen zóó: reeds van den aanvang af, toen de Mauritius met de Pinas op 11 A ug. i^gy te Texel wareft binnengeloopen, en de Hollan- dia op 14 Aug., heeft Langhenes als voortvarend, maar te Middel- burg eenigszins afgelegen wonend uitgever, zijn uiterste best gedaan om een tekst over die Eerste Schipvaert in handen te krijgen; wat hij maar kon krijgen, groen of rijp. Hij begon maar dadelijk, zeg in Sep- tember, met een grasgroen Journaal of fragment- Journaal? van anonymus X, die sterke stukjes gaf van bekrompenheid en onkunde. Maar bezig met den druk, en de voorbereiding der Platen {van fanta- sie!), krijgt hij van een anderen anonymus, een Adelborst Y, die aan boord der Hollandia de heele reis had gemaakt, en misschien wel een Middelburger, of ten minste een Zeeuw was, een handschrift tot zijn beschikking dat een waarachtig Zeejournaal bleek: ter zake, deskun- dig, beknopt, welwillend jegens Cornelis de Houtman dien men te Am- sterda^n eenigszins met den nek aankeek, zwijgend over wat men als de vuile wasch tijdens de reis diende te beschouicen.

Zoo volgt op een inleidend brokstuk van een onbenul X, die wel zijn eerste zeereis deed als Adelborst afb Hollandia, een vervolg- Journaal van een jongen zeeman Y, dat o.i. aanvangt bij het invaren der baai van Antongil, Bjv° = p. 11 bij ons. Aanééngepiakt door Langhenes. En doorgaande a/b Hollandia tot het einde.

Aan iemand anders, opvarende der Hollandia, valt in het geheel niet te denken, daar de mutatie onder hen Schippers, Commiezen, en stuurlui door dood en krakeel bizonder groot is geweest tijdens de

XXIII

reis; evenzeer trouwens als op de Mauritius, om te zwijgen van de kleinere Amsterdam welke nooit terugkeerde. Slechts van den stuur- man der HoUandia, Jacob Jansz. (Kackerlack),?^^^ hegin tot eind aan boord, bezitten wij een journaal {ons A ) dat in onbeholpen stijl nautische aanteekeningen bevat en inderdaad door Bar ent Langhenes gebruikt is kunnen worden voor het Appendix op het Journael.

Aan iemand van minder rang dan scheepsofficier, of „Overste" in het toenmalig spraakgebruik, kan heelemaal niet worden gedacht. Een goed deel der zoogenaamde „Scheepsofficianten" van toenmaals, zeg: onderofficieren thans, welke in hun raftg van hoogbootsman, schie- man, kwartiermeester, bottelier, konstabel, en busschieter, deelnamen aan de Scheepsraden, blijkt zelfs uit analphabeten te hebben bestaan. Van de drie heelmeesters, alias „barbiers" der vloot, in elk geval per- sonen van zekere vakopleiding en meer ontwikkeling, en van wie twee Holland weer bereikten, is niets in geschrifte bekend, en kan ook geen passage in de diverse stukken worden aangewezen, die op een hunner vermoeden zou doen krijgen. Slechts van één persoon van lager rang, die niet eens deel had aan den Scheepsraad, namelijk Cornelis Jansz. gezegd Turck, den tolk voor het Portugeesch a/b Mauritius, is een brok Scheepsjournaal overgebleven, niet verder hopende dan 8 Dec. I5g5, hoezeer hij wel degelijk Holland dd. ii Aug. '^y terugzag op zijn eigen schip; geschreven in een naïven stijl van aangrijpende trouwhartigheid {ons E; bovendien aanwezig in een gedeeltelijke copie, ons F), maar in een taaltje dat haast schrikwekkend mag heeten.

Alleen rest ons dus te denken aan een der Adelborsten op de HoUan- dia, aan een dier adspirant-ondercommiezen met andere woorden, die in vrij groot getal op elk der drie groote schepen de reis medcmaakten om den handel en het leven aan boord te leeren, op zee dienst deden als „jonkers" zooals thans nog bij onze marine, aan den wal bij voorkeur werden gebruikt om het terrein te verkennen of op kondschap uit te gaan of mede te vechtefi; eti vooral, zoodra er aan wal handel kon wor- den gedreven, medehielpen onder bevel van een Co?nmies of ondercom- mies. Jongelieden, allen uit den beteren stand, van zekere school- ontwikkeling, één hunner zelfs ex-student uit Leiden, kinderen dan wel verwanten van reeds bestaande regenten-geslachten of va7i in opkomst zijnde koopmans- ett reeder s-families. Jongelui, allen in de kracht van hun jeugd, belust op avontuur, en met een natuurlijke neiging ook om een dagboek van hun reiservaringen te houden.

Indien we een behoorlijke monstcrrol thans bezaten van alle 24g opvarenden der drie groote schepen plus de verkenners-pinas, het

XXIV

Duyfken, die samen den 2en April 1593 uit het Spanjaards-gat onder Texel zee kozen en zoo we daarbij dan een afmonsteringsrol hadden van de 8g man, die deels op 11 Aug. 'gy met de Mauritius en Pinas, deels op 14 Aug. d.a.v. met de sterk door ziekte op de terugreis ge- teisterde Hollandia, de reede van Texel terugzagen, dan zou het ons niet moeilijk vallen om een paar namen van Adelborsten te noemen, die in ernstige aanmerking kwamen te worden aangezien als schrijvers van het V er h a el, straks ook van het J o urn a el.

Niets van dat alles is echter aanwezig. Bij stukjes en beetjes zijn ive genoopt zelfs den kleinen kring der Overheid te reconstrueeren, een 18 man te zamen bij 't uitvaren, een 10 man slechts bij thuiskomst; en dan kost dit nog betrekkelijk zooveel moeite, dat De Jonge in zijn lijst van 1864 {Opkomst, II, p. 188) bij 3 van de eerste 18 zich heeft vergist i). Ziehier de juiste lijsten:

Uitvaart; 2A pril J595. T huis keer ; 11I14 A ug. 'gy.

Schipper: Jan Jansz. Muelenaer t 25 Dec. '96 Stuurman: Vechter Willemsz.; fio Jan. '96 a/b

Hollandia onder df: Claes Jansz. (Fortuyn) f 26 Dec. '95 Oppercommies: Comelis de Houtman Commies: Barent Heynck f 26 Juni '96

Schipper: Jan Dingenoms f 29 Sept. '95 Opperstuurman: Pieter Dircksz (Keyser); t 12

of 13 Sept. '96 a/b Mauritius onder d''.:}3iCdb Jansz. (Kackerlack) Commies: Gerrit van Boninghen tot 10 Juni'96;

daarna gevangen a/b Mauiutius onder d°. : Cornelis Naso (of Nassen)

Schipper: Jan Jacobsz. Schellingcr f 5 Dec. '96

Stuurman: Jacob Dircksz.

onder d".: Cornelis Adriaensz.

Commies: Reynier van Heil (of Verhel) f 5

Dec. '96 onder d°.: Jan Jansz. Kaerel, tot 27 Oct. '95 d°. d°.: Willem (alias Guljam) Lodewycksz., tot

27 Oct. '95 Schipper: Simon Lambertsz. (Mau), tot 27 Oct.

'95 d°.\ Hendrick Jansz., 27 Oct. '95 26Dcc. '96 Stuurman: Comelis Jansz. Ceulen

'Schipper: Hendrick Jansz., na 26

Dec. '96 I Stuurman: Jacob Dircksz., d°. d". Oppercommies: Comelis de Hout- man onder d°. Willem (alias Guljam)

Lodewycksz., na 27 Oct. '95 ' Schipper: Simon Lambertsz (Mau),

na2y Oct. '95 \Stuurman: Jacob Jansz. (Kacker- lack), d°. d°. I Commies: Jan Jansz. Kaerel, na o 1 18 Juni '96

'^ V onder d°. : Comelis Naso (of Nassen)

(Verbrand en verlaten onder Ba- wean, 11 Jan. I597-)

Schipper: Comelis Adriaensz., ö Ë < ita 26 Dec. '96

ii^ S I S/m !<n«rt«: Comelis Jansz. Ceulen

i) Hij vergat daar toch Commies Van Heli (of Verhel) a/b Amsterdam; noemde daar aan boord een stuurman „Jacob Cornelisz.", lees: Jacob Dircksz.; en maakte Frederick de Houtman a/b Hollandia tot „onder-kommies", die er slechts volontair schijnt geweest te zijn, met rang van adelborst. Als bron voor 2ijn lijst van 18 namen blijkt De Jonge vooral gebruikt te hebben den achterkant van zijn handschrift h (p. 286), ons H.

XXV

Kostte het samenstellen van dezen état-major reeds vrij wat moeite, er valt niet te denken aan het geven van twee behoorlijke lijsten der „Scheeps-officianten" hij 't uit- en thuisvaren; nog veel minder aan een rol van het scheepsvolk, van de toenmalig genoemde „bootslieden" , die van circa 1650 af „matrozen" zouden gaan heeten. Een deel der namen van de onderofficieren blijkt slechts uit een 4-tal stukken in het dossier-Van Boninghen {ons K), voorzooverre zij op resp. 28 Dec. 1595, 10 Juni en 29 Dec. 'gó, en vlak na het begin der thuisvaart op 28 Febr. 'gy, de algemeene scheepsraden bijwoonden welke draaiden om de personen van Commies Gerrit van Boninghen i) en den Oppercommies Cornelis de Houtman, met hunne felle veete. Van namen van 't scheepsvolk blijkt meer dan een in het Journaal van den tolk Turck, bovengenoemd, bij het droef-eentonig relaas der man- schappen die a/b Mauritius aan scheurbuik stierven vóór men Mada- cascar's Zuidwal zelfs had kunnen bereiken {Sept. I5g5), en daarna aan de Zuidwestkust er tusschen 13 Sept. en 13 Dec. op het eilandje „'t Hollantsche KerckJwf" de naam al getuigt! en aan wal in de St. A ugustijn-baai, bij getalen uit de vloot begraven werden; een enke- len naam voegt dit of dat Journaal hieraan toe, wanneer een opvarende een groot ongeluk kreeg, of met aan-wal-zetten dan wel met den dood werd gestraft, of ook vrijwillig achterbleef. Doch daarbij blijft het.

En de Adelborsten? Men had kunnen verwachten, dat er genoeg collegialiteit onder deze jongelui van 20 26 jaar had geheerscht, die op elk der drie grootere schepen samen aten, met de „Scheepsoffician- ten", aan den zoogenaamden „kombuys back" of zegde „Onderoffi- ciers-tafel" — in rang tusschen den „kayuits back" voor de Overheid, en den blooten „back" voor het scheepsvolk, alias het „backxvolck" ^)

i) Ook geschreven: Bönnigcn (zóó De Jonge), Bucninghcn of Bucningcn (zóó V. d. Does), Buningen (zóó I), Bcuningen (zóó Begin ende Voortgangh, 1645 en 1646), Bonin- gen (zóó Pontanus' Lat. tekst, 161 1); zelfs soms Bönnig ea Boningh. Onze schrijfwijs Boninghen' is die van II (1598), Pontanus' Holl. tekst (1614), en van diverse archiefstuk- ken hem betreffende. De oudere vorm van den naam dezer oorspronkelijk Nijmeegsche familie was: van Bocnynghcn (Elias, De Vroedschap van Amsterdam, 1, 1903, p. 345).

De meest voorkomende variant voor ons Muelenaer is: Mollcnaer (zóó I en II), en Mullenaer (zóó III en IV); ook Molenacr, Molenar, Moelcnaer.

De veel voorkomende varianten voor ons Dingenoms zijn: Dignumsz (zóó I, gevarieerd met Dignums), Dignums (zóó III), Dingnums (zóó II, gevarieerd met Dignums), Dinge- mans (zóó IV).

De schrijfwijze „van Hel" of „Verhel" komen zoowat evenveel voor. Van der Does schrijft het beste; van Hell.

2) Zie Van der Does hierachter, p. 364 met noot 4. Om bizondere redenen at soms een adelborst mee aan de kajuitstafel, n.1. enge familieverwantschap. Zoo zal Frederick de Houtman, nadat hij sedert December 1595 voer op de Mauritius, wel met zijn ouderen broer Cornelis hebben aangezeten.

XXVI

, om een volle lijst te geven van hun kornuiten op denzelfden bodem, en zelfs een volle lijst van al hun kameraden op de vloot. Niets van dit alles al weder. Noch de schrijvers van 't V er ha el en J ourn a e l, die zelf trouwens anonymi bleven, hebben aan zoo iets gedacht; noch adelborst Van der Does heeft in zijn Cort Verhael {IV), dat toch allerminst voor den druk was bestemd, ons zoo'n lijst gegeven.

Integendeel. Wanneer een van hun eigen makkers aan boord naar wal wordt gezonden met bizondere opdracht, dan gaat „een man" er op uit; wij moeten zoeken om door een toeval den naam te weten te kunnen komen. Slechts bij hoogst zeldzame gelegenheden raakt hun de tong los; adelborst Valckenier wordt 5 Dec. 'g6 a/b Amsterdam voor oud- Sedajoe op Oost- Java vermoord, getuigt IV; adelborst Rodenburch brengt aan Bali's Zuidkust ter Hollandia het eerste nadere bericht omtrent Cornelis de Houtman' s schip, de Mauritius, die met de Pinas een heel eind was vooruitgezeild, aldus getuigen gelijkmondig de schrijvers van I en II en IV; adelborst Van Caerden gaat dan van de Hollandia aan wal, zegt IV, maar I en II schrijven „een man" ; een paar dagen later komt „die selfde man" {aldus I en II) terug aan boord, en wordt adelborst Lintgens door den Commies der Hollandia in diens plaats tot den Koning van Bali gestuurd, aldus getuigt weer I V met name; maar I en II reppen zelfs niet over dit gansche geval, hoezeer hun makker Lintgensz, na 8 dagen verblijfs op den vasten wal, bij zijn terugkomst aan zijnen Commies Kaerel een Verhael vant tgheene mij opt Eijllandt van Baellewederuaeren is" kon aanbieden, dat met volle recht kranig mag heeten en dan ook door den verdienste- lijken P. A. Leupe reeds in 1856 afzonderlijk iverd uitgegeven.

Alen ziet: de collegialiteit der Adelborsten ging niet bijster ver; want Lintgensz zal toch wel niet de zes maanden lang {16 Febr.- 14 Aug.) ivelke hij met de schrijvers van I en II nog op éénzelfde schip moest doorbrengen vóór thuiskomst, over zijn verblijf op Bali gezwegen hebben. Maar de toenmaals gangbare opvattingen werkten niet mede, om meer dan spaarzaam te reppen van het bizonder aandeel van dezen of genen in den gang van zaken.

Hadden we ahveer het dossier- Van Boninghen niet, dan zouden we misschien slechts de 5 bovengenoemde namen van Adelborsten op de heele vloot kennen. Nu kennen wij er ig. Ziehier de aiphabetische lijst, met enkele toevoegingen omtrent hun leeftijd.

°i. Aertbrugghe (Jan Dircksz. van der) *°2. Biesman (Lambert) *°3. Bouwer (Hans Hendricksz.). Geb. 1570 of 'yi.

XXVII

4- Caerden (Paulus van) *5. Does (Franck van der); of Verdoes. Geb. 1569 of *yo. (Eemskerck, zie Heemskerck). 6. Emaus (Pieter Dircksz.). Geb. 1573. °j. Hardenbroeck (Gysbrecht van) *°8. Heemskerck (Comelis van); of Eemskerck. Geb. 1573. *9. Heuckelum (Gerrit van)

10. Houtman (Frederick [Pietersz.] de). Geb. 1571. *°ii. Huydecoper (Jacob Jansz.). Geb. 1568, 12. Lintgens (Aemout) °I3. Maryen (Jeronimus) ♦14. ]\Iöller zum Heiligenthale (Jhr. Adolf) *°I5. Rodenburch Betz (Emanuel). Geb. 1574 (?).

16. Stockmans (Pieter); of Stockman

17. Swart (Jan Jansz.)

18. Valckenier (Jelle Jellesz.) j 5 Dec. 1596 a/b Amsterdam. Geb. ca. i Jan. 1577.

19. Willekens (Wouter); of Wilkens. Reeds sinds 1590 bevaren op Oostindië en Japan; gevangen geweest in '96 te Bantam (zie Dr. Wieder's Spaansch Verslag, 1915, p. 212; of T. A. G, 1915, extra-afl. n*'. 6, p. 68). Geb. 1573 (of '74.^).

Met een sterretje plus een cirkeltje zijn in deze lijst gekenmerkt de 5 Adelborsten, die zoowel op 2y Oct. I5gs als opvarenden der Hollandia een verklaring ten gunste van hunnen Commies Van Bo- ninghen hadden mede onderteekend onder voorgangvan hun Stiiurmayi tevens Opperstuurman der heele vloot Pieter Dircksz. Keyser, den geliefden leerling van Ds. Plancius te Amsterdam ; alsook op 20 Nov. d.a.v. hadden mede onderteekend een fel Protest tegefi den Opper- commies der vloot, Comelis de Houtman, ow zich bij de verdere Over- heidspersonen te beklagen over hun verzetting op een ander schip, als straf voor die verklaring van 2y October. Met een sterretje alleen zijn gemerkt de 3 andere Adelborsten van de Hollandia, welke eveneens de October-verklaring pr o-Van Boninghen hadden onderteekend, maar buiten het Protest van 20 Nov. bleven, om de eenvoudige reden dat zij niet op een ander schip waren verplaatst; blijkbaar wijl men hen niet als raddraaiers beschouwde; onder hen ook Franck van der Does. Met een cirkelt je-fl//^^« zijn voorts aangeduid die 3 verdere Adelborsten, welke wèl het Protest tegen Houtman en het beklag over hwi ver zetting dd. 20 Nov. hadden mede-onderteekend , doch ontbreken op de October- verklaring; m.a.w. zij die niet a/b Hollandia haddat gevaren, maar

XX VI II

als raddraaiers pro- Van Bmiinghen hadden geageerd, en evenzeer dus van een ander {ongenoemd) schip op een ander {ongenoemd) schip waren moeten overgaan i).

Hoeveel Adelborsten waren er nu in het geheel op de vloot hij uit- vaart? Met behulp van bovenstaande lijst van ig namen, waaronder 8 a/b Hollandia tot 2y Oct. 1595 toen men bijtia drie weken lag in de St. Augustijn-baai, deels ziek aan wal , is het totaal min of meer te benaderen. Door datzelfde dossier- Van Boninghen weten we, dat, behalve de 8 van de October-ver klaring, óók eerst op dat schip was Frederick de Houtman, die echter hij de diverse stemmingen in den Scheepsraad van 26 Oct. 'g^ van de Hollandia werd overgeplaatst op de Mauritius, tegelijkertijd dat zijn oudere broer Cornelis als Opper- commies van Mauritius overging op Hollandia; om., reden men heiden niet op een en hetzelfde schip wilde hebhen ^).

1) Waarschijnlijk van de Mauritius op de Amsterdam; zie noot i op p. 348 bierach- ter. — Eerst op 5 Dec. '95 werd dit Protest der 8 adelborsten (5 van de Hollandia, 3 van de twee andere groote schepen) door Heemskerck en Hardenbroeck overhandigd aan den Schipper der Mauritius, Muelenaer. Een contra-geschrift (dd. 14 Dec. '95) van Barent Heynck (den feitelijken Secretaris der vloot tot zijn dood ter reede van Bantam op 26 Juni '96; en rechterhand van Cornelis de Houtman) heft aldus aan in zijn laatsten considerans: „Endtlick also die protestanten als Heemskerck, Bouwer, Hardenbroeck ende Huideko- per (die die principalen syn), Lambert Biesman, Jeronimus Maryen, Rodenburg ende Jan Dirckx [van der Aertbrugghe] gesworen hebben de commisen ende schippers te re- specteren ende gehoirsamen," . . . enz.

Van deze hier vermelde 4 hoofdaanleggers was Jacob Jansz. Huydecoper van moeders- zijde een volle neef (cousin germain) van Van Boninghen; trouwens Lambert Biesman was dat evenzeer; geen wonder dus, dat deze drie neven voor elkaar partij trokken. Maar Cornelis van Heemskerck was wel in den aanvang een der aanstokers geweest, doch had zich een half jaar later geheel bedacht; zooals blijkt uit zijn eigen getuigenis dd. 9 Juni 1596, nu ten laste van zijn eigen Commies, bij 'tingaan van Straat Soenda; waarin hij Van Boninghen aanviel als zijnde door dezen misleid, en o.a. daarbij bekennende „datick van Rodenburch hebbe moeten horen dat ick hem tot U [= Van Bon.] getrocken hadde ende doen protesteren teghen den persoon van S. Cornelis de Houtman ende zijn oue- richeyt, die hem zijn leven niet misdaen en hadde, waer over ick van hem [= Roden- burch] tot een schelm gescolden worden". En reeds een maand vroeger had ook een an- dere hoofdaanlegger, Hans Bouwer, dd. n Mei 1596, nog in volle zee en a/b Amsterdam, aan zijn Schipper (Schellinger; een vijand van Boninghen) en zijn stuurman (Jacob Dircksz) een korte vei'klaring gegeven omtrent wat Van Boninghen in de baai van Anton- gil omstreeks 9 Febr. '96 in zijn schild had gevoerd, n.1. muiterij.

Hier hebben we dus al 3 Adelborsten, die, tijdens de vaart van Madagascar naar Java, overstag waren gegaan in hun vroeger respect voor Van Boninghen. Het zeer scherpe bezwaarschrift nu van Heemskerck tegen Boninghen, dd. 9 Juni '96 bovengenoemd, werd zelfs de onmiddellijke aanleiding tot het gevangen-zetten van dezen op de Mauritius den volgenden dag, 10 Juni, door een streek die een pure list was: men riep Boninghen schriftelijk van de Hollandia naar de Mauritius, kwansuis om een Scheepsraad bij te wonen; inderdaad om hem in de vingers te krijgen.

2) Dit wordt openlijk gezegd in het Protest der 8 Adelborsten dd. 20 Nov. 1595: „. . . want alsoot de compaingnie van verre onse beeren den persoon van Coms. Hout-

XXIX

De conclusie is dus: op de Hollandia waren hij uitvaart minstens 9 Adelborsten. En daar de bemanning der Mauritius even groot was in totaal als van de Hollandia {84 tegen 85 koppen), doch die van de Amsterdam, iets kleiner {60 man), en er geen teeken is dat er op de Pi- nas bij de uitreis een A delborst zou hebben gevaren, zoo zullen oor- spronkelijk g -\-g -\-6 = 24 Adelborsten minstens zijn medegegaan.

Wie kan nu die ééne op de Hollandia zijn geweest, den Oppercom- mies Houtman beslist genegen, die het goede tweederde deel van het Verhael heeft geschreven?

Slechts één naam zoude met groote aarzeling hier mogen worden ge- noetnd: Pieter Stockmans, of ook Stockman. Immers: deze wds een vriend van Cornelis, en zeker óók van Frederick. Want toen Cor- nelis op 2$ Maart i^gS, nu in dienst van den Vlaamschen reeder Bal- thasar de Moucheron te Veere, zijn 2' Indische reis aanving als Gene- raal en baas over twee schepen, was van zijn eigen schip Pieter Stockmans de Schipper, en van het tweede zijn eigen broer Frede- rick; terwijl als een der 5 onder commiezen, op beide schepen samen, medeging dezelfde Jan (Dircksz.) van der Aertbrugghe'^), die nog wel een der onderteekenaars was geweest van het Protest dd. 20 Nov. 'g^ tegen Cornelis op de eerste reis, zij het als bijlooper {verg. vorige p. noot i). En in het geschriftdatwij genummerd hebben G „Nautische erva- ri?igenvan den „volontair" Frederick de Houtman" ; zie het Voorwoord tot de uitgave in igi5 van Lodewycksz' „D' Eerste Boeck" p. xxvii worden door den anoniemen samensteller van dit voluit getiteld „Ex- tract wte schriften van Fredrick Houtman waer wt men verstaet hoe de schepen van Amstelredam op hare eerste Oost Indische zee- vaert" enz. ^), meer dan eens óók waarnemingen vermeld van „Pieter Stockmans" ; vergeleken met de waarnemingen van Frederick ^).

man . . . nyet begeirt . . . dat hy by zyn broeder nyet soude moghcn vernachten, maer dat hy op den schcpe Mauritio by Barent Heijn [= den Commies Heynck] soude varen" . . . enz. Het chassez-croisez der beide broers op 26 Oct. '95 bewijst, dat dit geen achter- klap is geweest. Doch toen Cornelis op 25 Deo. d.a.w. terugkeerde a/b Mauritius, en niet meer naar de Hollandia dorst gaan waar Van Boninghen zich opnieuw had geïnstalleerd, bleven beide broers toch voortaan te zamen.

1) De Jonge, Opkomst II (1864), p. 212, noemt hem uit welke bron toch? niet uit Davis! „assistent" a/b De Leeuw; maar Frederick's Cort Verhael vant' gene weder- uaren is Frederick de Houtman tot Atchein (schandelijk slecht uitgegeven te Gouda in 1880), noemt hem „Commis" op de Leeuwin (p. i).

2) Aldus de aanhef van het 2e gedeelte van dit geschrift, vroeger eigendom van Mevr. de Wed. Stratenus van Voshol, geb. Visscher, te Utrecht, op 4 April 1912 voor ons teruggevonden door wijlen Mr. S. Muller Fz. Thans in het Utrechtsche Archief.

3) Hoogst gewichtig is in bedoeld geschrift in het ie gedeelte, daar waar de tekst over- gaat van een opsomming der ervaringen van de Portugeezen omtrent „de graden der

XXX

Maar . . . anderzijds bezitten we weder geen enkele aanwijzing, dat Stockmans op de Hollandia is uitgevaren, en niet b.v. oorspronkelijk op de Amsterdam heeft gediend; misschien op de Pinas. Zelfs zijn er voor de periode 26 April 25 Mei i^gy, toen hij de terugreis, na het in zicht krijgen van 't land van Natal op 24 April en vóór het elkaar terugvinden bij St. Helena, de Hollandia gedurende een maand lang de bijeengebleven Mauritius plus Pinas kwijt was geraakt, en eigen koersen volgde, vrij sterke aanwijzingen dat Stockmans de terugreis heeft gedaan a/b Mauritius, of ajb Pinas.

Ook hij moet dan uitvallen als mogelijk schrijver van het goede tweederde deel, de ware kern van het Ver ha el a!b Hollandia.

De tien Platen, bij het Verhael gevoegd door Langhenes, zijn . . . prullaria. Op twee na: de plattegrond van Bantam, onze Plaat 4; en de afbeelding der „Schepen ende Schuyten van Java" , onze Plaat 7. Al de andere acht zijn uit pure fantasie in 't koper gesneden, waarbij de graveur enkel trachtte de bovenschriften zooveel mogelijk tot uit- drukking te brengen, zonder houvast te hebben in schetsjes door den een of anderen opvarende der vloot meegebracht. Slechts bij drie weer van deze acht, heeft de kopersnijder gelijk Tiele reeds in zijne Mémoire bibliographique van i86y, p. iiy opmerkte heul gezocht in Plaat 2 en j uit Linschoten's Itinerario van 1595 (kwansuis: 1596); daaruit zijn Plaat 5 (voor twee derde), 6 (voor een derde), en 8 [geheel) in 't Verhael distilleerend. A angezien echter die twee platen van Linschoten gesproten waren uit de vruchtbare fantasie van den Amsterdamschen graveur Joannes van Doetichem, die óók niets goeds wist van Javanen of Chineezen, zoo heeft men hier in 't Verhael drie stuks fantasiën, gedaari naar een paar jaar oudere fantasiën.

Doch, als gezegd. Plaat 4 en 7 in het Verhael dragen een apart karakter; dat van meer of minder vertrouwbaarheid. De „Conter-

lancte ende het affmctcn der zelver door hot noordoosteren ende noordwesteren der naelde", de bewoording van dien overgang. Aldus luidend: „Mette voorgaende obser- vatien der portugijsers compt over een tgene de schepen van Amsterdam op hunne Oost Indische zeevaert in den jaren 1595, 1596 ende 1557 bcuonden hebben, gelyck sulcx blyct by de dagboucken endezceschriftenvan Pieter Dircxss [Keyser; f 12 of i3Sept. '96 ter reede Bantam] ende Vechter Willemssen [\ 10 Jan. 1596 bij het eiland St. Marie, N.0. Madagascar] zaliger gedachtenisse, insgelycx byde schriften van Frederick Hout- man, Pieter Stockman ende meer anderen, welcke bcuonden hebben . . . enz."

Dadelijk, bij het lezen van dezen zin, rijst de vraag: was de man, die zoo viijelijk be- schikken kon over de dagboeken en zeeschriften van den opperpiloot a/b Hollandia (later Mauritius), en den stuurman der Mauritius, alsmede over de geschriften van de adelbor- sten Houtman en Stockman{s), „ende meer anderen", wel iemand anders als Ds. Petrus Plancius te Amsterdam?

XXXI

feyiitighe der stadt Bantam" {Plaat 4) is niet gefantaseerd, maar be- rust op een, trouwens slordig, teekeningetje aan boord der Hollandia gemaakt, door iemand die kijkende was naar de stad, en daarbij een stelletje van 14 legenda {A /, en K O) bijschreef; waarvan twee nieuw blijken {DenM) als men dezen plattegrond van i^gy vergelijkt 7net den zooveel beteren uit 'g8 bij Lodewycksz {ed. 191 5, Plaat 11 bij p. 104); twee fout blijken {F en N), op grond van dezelfde vergelij- king; en /ê7i ontbreekt (O), maar enkel wel door schuldvan den graveur, die gebonden als hij was door zijn formaat, en niet voelende dat hij de onderhelft der voorstelling liever diende in te korten, dan de bovenhelft, te veel zee gaf en te weinig land, waardoor de iets dieper het land inge- legen „Kercke oft Moscua" der Legenda buiten de lijst zijner gravure viel. En ook Plaat 7 is gewis niet gefantaseerd, maar moet berusten op een of 7neer ruwe schetsjes van ee7i opvarende der vloot, naar de drie voornaamste typen van „Schepen ende Schuyten van Java" welke hij te Bantam voor zijn oogen zag; hier echter heeft de drukker een fout begaan door in het bovenschrift der plaat, dat in gewonen boekdruk met Gothische typen later op de pers werd toegevoegd, geen verklaring te geven van de drie letters A C, welke de graveur zoo in 't oog loopend midden op het grootzeil der 3 schepen had aangebracht. Deze nalatigheid zou Langhenes herstellen bij 't gebruik van dezelfde koper- plaat voor de uitgave van 't Journael in voorjaar i^gS {men zie hier- achter); maar verrassend is het op te snerken, dat Tiele deze oor- spronkelijke plaat van najaar 'gy . . . niet heeft gekend. Want in zijn bovengenoemde Mémoire etc. van i86y heeft hij een exemplaar van 't Verhael beschreven, dat als yc plaat {bij hem: g) tot bovenschrift had „Een ghemeene Veerbarck etc." {p. iiy), kortom een plaat y, uit het Journael gelicht en ingeplakt in een exemplaar van het Verhael! Ge- lijk dusdanige maniptdaties gebruikelijke handigheden zijn bij het niet ov er-scrupuleuze gilde der antiquaren-boekhandelaren.

Onze Plaat g, „Een schermutsinghe gheschiet voor Bantam enz.", heeft Tiele in het geheel niet gekend. „Quoique cette pianche manque dans notre exemplaire" {p. iiy, sub i), begreep hij echter ten volle wat zij moest voorstellen, en legde dat uit. Ziehier dan in deze uitgaaf een verkleinde copie van 't origineel dat ook weer maaksel is van het voorstellingsvermogen des graveurs.

De wezenlijke waarde van deze 10 Platen in 't Verhael is zóó gering, dat we niet geaarzeld hebben reproducties in deze uitgaaf te aanvaar- den die verkleind zijn van de gemiddelde oorspronkelijke afmetingen 13x18 C.M. tot die van 10Y2. X 14 c.M.; alleen Plaat 4 {Bantam' s

XXXII

plattegrond) is door weglating van een onbeduidende strook onderaan, op volle grootte weergegeven.

De bovenschriften, welke alle in Gothischen boekdruk boven de origi- neele platen zijn aangebracht, hebben wij weer op de achterkanten der verkleinde reproducties laten afdrukken, en waar datnoodig was, door 7ioten verhelderd. Geheel dus, zooals dat geschied is bij de uitgave van Lodewycksz' „D' Eerste Boeck" in 1915.

Belangrijker dan de Platen zijn de binnen den tekst gedrukte Kaar- tjes; waarvan er 5 moesten wezen, doch 7na ar 4 aanwezig zijn, omdat de voor het ^e en wel voor dat van St. Helena gereserveerde ruimte op p. H2r°, blanco is gelaten; men zie daartoe nader 07ize noot 2 op p. 6y hierachter. Aan het kaartje in het Jour nael dat een half jaar later deze leemte aanvulde, Kaart V, hebben wij ter vergelijking toegevoegd een officieele Engelsche opname van ig22 {Admirality Chart, No. 1771), 07n te laten zien hoe bevredigend de oude voorstelling der Portugeezen moet heeten; die wij, wegens het ontbreken van een kapel bij de baai van St. Helena, doorCavendish beschreven bij zijn thuisreis in 1588, en zijn aandoen van het eiland op g {= ig) Juni, iets ouder schatten dan het daarbij door hem vermelde jaar 1571; zeg uit circa i5yo. Overigens zie men de achterschriften bij die Kaartjes.

Eenerzijds werd daar aandacht gegeven aan de Port. voorloopers, geconcentreerd in den Atlas van 25 „Zeecaerten" uit i^go van de hand van den Port. kosmograaf Bertholameu LA90 {of Laso), ca. 1540 t ca. I5gi, ingezetene van Lissabon, die Ds. Plancius in den herfst van laatstgenoemd jaar iivist meester te worden vrage: uit den boedel van dien pas overleden kaartenmaker , welke op 24 Jan. 'gi nog een examen had bijgewoond als deskundige.^ en ze overdroeg aan den Amsterdamschen uitgever Cornelis Claesz. Een 8-tal van deze kaarten werd in igi^ door D. Antonio BiazQUEZm Spanje ontdekt, en door Dr. Wieder kort beschreven in het Tijdschr. Ned. Aar dr. Gen. igi6, P' 933 934' "i^dke thans eigendom zijn van den Heer W. A. Engel- BRECHT te Rotterdam. Deze laatste stelde ons vriendelijk in de ge- legenheid als Kaart Ila en IX bij deze uitgave te voegen een repro- ductie van M a d a g as c ar; en een van de Westhelft van den Indi- schen Archipel, met Sumatra als centrimi. Lago's kaartje van Madagascar, voorkomend op Wieder's No. 5 {„Zuidoost- Afrika met Madagaskar") laat niet alleen zien, hoe Lodewycksz' kaartje {ed. igi5. Kaart II, p. 10) wel in vorm nauw hierbij aansluit, maar in uitwerking van de namen een ruimer en veeleer Spaansch dan Portu- geesch type vertoont „Augustino" voor „S. Agostinho", „S. laco-

XXXIII

bo" voor „Santiago" ; enz. , maar stelde ons in staat een door den eersten bewerker begane fout bij de editie-Lodewycksz over de „Riffen van de Jodin" {B ai x o s da J u di a; en niet: B. da India) te verbeteren. Labo's kaartje van Sumatra, o^itleend aan Wieders No. 7 {„Voor- en Achter- Azië"), doet scherp zien, hoe heel veel beter diens voorstelling van i^go was, dan het dwaas-foutief fragment waarmee Lodewycksz in i^gS te voorschijn durfde komen.

Anderzijds werden op de gezegde achterschriften vergeleken de zoo goed als identieke 4 kaartjes, die Langhenes nogmaals liet afdrukken in het ca. Juni i^gS bij hem verschenen „C a e r t-t h r e s o o r", met Opdracht van hemzelf aan deHeeren State^ivan Zeeland dd. „In Mid- delburgh den 20. Mey 1598", en tekst van een tot nog toe onbekenden schrijver der geographische toelichting bij de hier geboden i6g kaar- tjes van de vier werelddeelen. Naar het zeggen in i6og van den bewer- ker der tweede uitgave {Jacobus Viverius, „medecijn" te Amsterdam) dat die schrijver van tien jaar vroeger zou zijn geweest „een longh-man {cnis onbekent)", en den aard van den Leidsch-Arnsterdamschen geleer- den tekst 7net veel vertalingen uit den toenmaals zoo geliefden Fran- schen poëet Du Bartas, hebben wij bij 't achterschrift van Kaart II de mogelijkheid geopperd, dat dit kan geweest zijn Jan Jansz. Orlers {1570 1646), die in 1614 te voorschijn zou komen met de welbekende „Beschrijvinge der Stad Leyden", en in i^gi 'gs werkzaam was ge- weest als bediende in den boekhandel van Corn. Claesz. te Amsterdam.

Daargelaten, dat op de kaartjes van Sumatra, en Java tot en met Soembawa {„Cleyn lava ende groot lava"; II, p. 61) geen spoor te vinden is van den ontdekkingstocht der Hollanders die bijna een jaar te voren in 't vaderland waren teruggekeerd, zoo blijft het opvallend, dat ook in dien tekst met geen enkel woord de Eerste Schipvaart wordt aangeroerd; zelfs niet de aanvang daarvan, drie jaren eerder ^).

i) De tekst van het Caert-ThrescMsr (II, p. 196) eindigt met het feit, dat het ééne schip van den 3en Poolzee-tocht onder Barentsz (18 Mei 1596 29 Oct. '97) „wederom thuys- ghecomen" was, d.i. dus het schip van Rijp (scheepsnaam onbekend) kort vóór 10 Deo. 1596 (juiste datum onbekend), maar het tweede „onder het beleydt van Willem Ba- rentsz." nog niet. De tekst is dus afgesloten in Dec. '96 of begin '97. En volgens Viverius was het werk van den „Iongh-man"-auteur „in zijn af-wesen ghedruckt, soo dat hier vele dinghen over hoop laghen". Tot begin 1596 was Orlers in de leer geweest bij Claesz., trouwde in Febr., en opende 26 Maart '96 een boekhandel te Leiden (Dr. Prinsen in Nieuw Ned. Biogr. Wdb. I, 191 1). De Ode van den Anonymus, vóórin het Caert-thresoor tot „Lof den Geographyen", rept niet van Langhenes, maar wèl van „u Claessoon", d.i. van Corn. Claesz., als mede-liefhebber dezer „Goddinne" (Orlers was dat zelf in dien tijd ook; zie Prinsen, l.c). En tegelijk met Langhenes' officieele uitgaaf van 1598, verscheen een zonder jaartal met titelblad „Tot Middelburgh, by Barent Langenes, ende men vintse te coop by Comelis Claesz." (Dr. C. P. Burger Jr., De Amsterdamsche boekdrukkers en uitgevers in de lóeeeuw, II, 1907, u". 388).

III

XXXIV

Wij mochten hierbij gebruik makelt van het exemplaar dat berust ter Provinciale Bibliotheek van Zeeland te Middelburg. Jammer genoeg, is dit niet ongescJwnden: het titelblad ontbreekt, evenals f. 161—162 in Boek II; terwijl II, p. y3 74 defect is.

Het ongerepte exemplaar van 't Verhael, dat ons voor dit 2' Hout- man-Deel ten dienste heeft gestaan in tekst en in platen en kaartjes, is o schande voor ons land ! herkomstig uit de U n i v e r s i- t ei t s-B ibliotheek te G öttin g en.

Wij verwijzen ten deze naar de hoogst leerzame noot i op p. 85 hier- achter; vrucht van de bemoeiingen door den Secretaris der Linschoten- Vereeniging, den Heer Wouter Nijhoff, te onzen behoeve in Decem- ber igii gedaan, om een exemplaar der editio princeps voor herdruk in handen te krijgen. Van 35 bibliotheken in buiten- en binnenland bezat alléén G öttin g en dat rarissimum; want straks zal blijken, dat S y dn e y de editio altera van het Verhael, mts Ia, ten rechte bezit.

Maar noch Amsterdam, noch 's-Gravenhage, noch Gouda, noch Groningen, noch Leiden, noch Utrecht, bezaten in den aanvang van igi2 Anno Domini, den eersten druk uit i^gy van den eersten ontdek- kings- en handelstocht der Nederlanden naar de Oost-Indiën . . . Thans, sedert eind igjj, is deze schande voor Amsterdam goddank uitge- wischt door de energie van den Heer A. W. M. Mensing, het hoofd der firma Fred. Muller & Co., die in Juni igij bij de veiling der Boekerij-Huth te Londen bij Sotheby &Co. de som van £ 65. besteedde voor een exemplaar waaraan 4 Platen ontbreken {onze Nos. 5 7 en 9), en het daarna met een groot fonds kostbare boeken overdeed aan het dd. 10 Mei igi6 te Amsterdam opgerichte Ned. Historisch Scheepvaart Museum i).

U7iiversiteits- Bibliotheek te Göttingen, wij danken U alzoo van

ganscher harte zéér!

* * * *

De Opdracht van Langhenes aan de (drie) Baljuws, de [twee) Burgemeesters en den Raad te Middelburg, dd. Middelborgh ig Oc- tober 'gy, die het Verhael volgens deftige zede had moeten openen, ...

i) Zie hierachter p. 8i, met noot i; het slot der noot op p. 85 86; en noot i op p. 93. Het exemplaar draagt thans in het Scheepvaart Museum de nummering; 1077. Zie p. 151 in den Catalogus „Verzameling-Mensing" in het Scheepvaartmuseum te Amsterdam. L Bibliotheek (r« gedeelte); Amsterdam, 1923; waar men voor „il manque deux planchcs", leze: quatre. Een A vóór de volgcijfers van dezen Catalogus beteekent Aankoop; een B is Bruikleen; géén letter aan het volgcijfer voorafgaand: Schenking. ^

XXXV

werd op het laatste oogcnhlik teruggehouden. Maar door een aller gelukkigst toeval werd zij oiis toch in Engelsche vertaling gered door WiLLiAM Phillip bij zijn vertolking voor den Lo7idenschen uit- gever John Wolfe der tweede editie van het Verhael, die hij Langhe- nes in eind 'gy verscheen, en nu hieronder besproken zal worden. Men leze dus den tekst van deze Opdracht in die overzetting op p. io6 log hierachter, en heschouwe haar als voorafgaand aan deji tekst van het Verhael, die op p. j bij ons begint met de, in den trant van den tijd, geleerde i7ileiding bij den gemeenen Lezer, alvorens over te gaan tot het reisverhaal zelf op p. 4.

Dat deze Opdracht behoort hij de editio princeps van het Verhael, 7iiet bij de tweede editie {ons Ia), werd met klem van redenen door ons betoogd op p. g2. Maar het gelukkig toeval dat Phillip de Opdracht van Langhenes 07iverkort heeft vertaald, mèt haar dateering aan het slot incluis, gevoegd bij het feit dat de geheele druk van het Verhael in éénen doorliep blijkens de signatuur het Titelblad met blanco rug- kant rekent als Aij want het blad daaropvolgend is gesigneerd „A2"; dan volgefi 2 bladen zonder signatuur; dan B, een plaat die B2 is maar ongesigneerd bleef, en weer 2 bladen zonder signatuur; dan C {zéér zwak op een plaat gedrukt, wellicht uit de hand bijgedrukt?), C2, en weer 2 bladen z.s.; enzoovoort D G; totdat H, H2 en i blad zonder signatuur het werk sluiten van 31 bladen 62 {ongepagineerde) pagina's = 7^/4 kwarto-vel oblong , laten te zamen toe de verschij- ning van het Verhael te precizeeren.

Wij zeiden dat reeds in hoofdzaak op p. g^ hierachter: de druk te Middelburg is vlak na ig Oct. isgy datum van de in 't Hollandsch gesupprimeerde Opdracht begonnen; als één geheel van Ai tot Hj voortgezet en besloten, met alle 10 reeds gereed gemaakte platen mee- geteld in de signatuur, waarvan slechts één {de j^ der reeks) zéér flauw rechts onderaan gesigneerd is, alle andere geen signatuur ook behoef- den; en derhalve is dit boek van 62 pagina's pas gereed kun- nen zij n in begin November 'gy.

la. {2*^ druk van het Verhael; Dec. 1597).

Deze editio altera berust alléén in de op 8 Maart igio geopende Mitchell Libr ar y te S y dn e y, als onderdeel van de Pu- blic Lihrary; fameuze verzameling van wijlen den collectionneur en boekenminnaar David Scott Mitchell aldaar (f 24 Juli igoy); die sinds f aar en dag in den aankoop van oudere reisverhalen speciaal heeft belang gesteld, de Hollandsche allerminst te vergeten. Op welke

XXXVI

wijze dit exemplaar sinds deji dood van Mr. W. J. Royaards van DEN Ham te Utrecht {2 Maart i8gy) uit diens bibliotheek in igoi aan den heer Mitchell ie Sydney is overgegaan, werd reeds vermeld op p. yg hierachter bij onze Inleiding tot la. i)

Daar blijkt tevens, dat deze 2^ druk thans zijn belangrijkheid vooral ontleent aan zijn bibliographische zeldzaamheid. De verbeteringen en wijzigingen in den tekst aangebracht, kennen wij gelukkig ook hier te lande, door de hs.-kopie in 1868 door P. A. Tiele van hetzelfde{7) exemplaar persoonlijk vervaardigd, in Jan. '6g door hem als gecolla- tionneerd en conform ajgeteekend.en thans deel uitmakendvan de hss. der Leidsche Ufiiversiteits- Bibliotheek, waar Tiele sinds 1866 biblio- thecaris was. Men zie het begin van de vermelde Inleiding. Die tekst- verbeteringen en wijzigingen zijn doorloopend gering en onbeduidend; slechts op enkele plekken van iets meer beteekenis.

Toch stellen we ons voor, zoodra dit Tweede Deel verschenen is, na- der de htdp in te roepen van een der Franciskaner Paters in het klooster te Rydal {Franciscan College), een 120 KM. West tenN. van Sydney per spoor met de hoofdstad verbonden; om in de eerste plaats aldus de zekerheid te krijgen: 1°. bevindt zich inderdaad het kaartje van St. Helena afgedrukt in deze tweede editie?; 2°. werden op de Platen 2, 4 en 7 reeds de kleine wijzigingen van voorstelling aange- bracht, welke te constateeren zijn op de analoge nummers in het Jour- nael van begin I5g8 {zie onze Platen 11, 12 en 13 in dit Deel); 3°. is al of niet de boekdrukkers-fout hersteld in het i' kaartje {zie Kaart I op p. 8) ten aanzien van Afrika' s Zuidpunt?; 4°. is de dwaze fout op het kaartje van Madagascar {zie Kaart II op p. 8) reeds hersteld?; 5°. komt het bovenschrift van Plaat 7 geheel overeen met dat wat wij gaven op p. 86?; 6°. hoe staat het precies met de signatuur op tekst eti platen van deze editie?

De vriendelijke hulp door Pater Donatusvan AdrichemO. F. M. te Rydal, ons een anderhalf jaar na afloop van den wereldoorlog spon- taan toegezegd, belooft waardevolle voorlichting.

Overigens verwijzen we naar hetgeen wij op p. yg 8y in onzen teksi reeds schreven ter inleiding en tot staving van hetgeen hier i?i korte woorden werd satnengevat.

i) De bizonderheden omtrent den sterfdag van Mitchell, en den datum der opening van zijn door hem met ruime fondsen aan de stad Sydney gelegateerde Boekerij, werden ontleend aan een schrijven van den Principal Librarian der Public Library of New South Wales, dd. Sydney, 9 Dec. 1924, den heerW. H. Ifould. Op onze vraag of er ook een ge- drukte Catalogus bestond dezer Mitchell Library, antwoordde hij tevens: „The Catalogue of the Library is on cards and has never been printed"; terwijl er van de Public Library- zelveeenCatalogusin7dln. uit 191 1 bestaat.

XXXVII

Naast de tegemcoordige waarde als groote zeldzaamheid, blijkt de innerlijke, historische heteekenis van Ia, dat de tekst dezer editio altera uit Dec. 1597, en niet de tekst van de editio princeps uit begin Nov. van dat jaar, tot legger heeft gediend van Williau Phillip, bij zijn vertaling in het Engelsch voor den Londenschen uitgever John WoLFE, verschenen in Februari 1598; ons Ib, dat nu volgt.

Ib. (The Description of a Voyage... into the East Indies; Febr. 1598).

Ook hier kunnen wij samenvatten hetgeen in de Inleiding tot deze Engelsche vertaling, tnet haar twee groote verrassingen, reeds op p. gi 102 werd uiteengezet', met onze correctie op p. Lxxxv.

De hoofdvraag was daar natuurlijk: heeft William Phillip als slordig vertaler de editio princepsvanLanghertes gebruikt, ofwel diens editio altera? Op afdoende gronden werd door ons bewezen {zie p. 95 gy), dat slechts die tweede druk gevolgd kan zijn. En daar deze tweede druk eerst in December 1597 te Middelburg verschenen kan zijn, na de eerste editie van begin November, zoodat Phillip te Londen hem op zijn vroegst in de laatste dagen van dat jaar in handen kon hebben, doch veeleer in begin Jan. '98 machtig werd, zoo volgt uit Phillip's eigen Opdracht aan Sir James Scudamore van zijne vertaling dd. 26 Jan. '98 „This 16. of lanuarie. 1597" naar oud-Engelschen Stijl; zie p. 10$ , dat alweer de druk van deze vertaling, welke, met haar 5 kaartjes plus i plattegrond, in éénen doorloopt van den titel als Ai {r°-v°) L4 {zonder de J) IV {ongepagineerde) + 40 {gepagi- neerde) bladen = 88 pagina s = 11 vel klein kwarto, pas na dien datum begonnen is en eerst na half Februari gereed kon zijn.

Zóó ook kon dat curieuze slot {zie p. 98 en 112) door Phillip zelf- standig worden aangehaakt omtrent de „80" teruggekeerde Hollan- ders, dat „Our saylors . . . as soone as they were on land and at their ease presently recouered their heaÜhes" , een informatie die hem uit partikulieren Hollandschcn koker moet zijn geworden; zoowel wat dat getal „80. men in all" , alias „those f orescore", als wat het feit van het „presently" hersteld-zijn betreft; zoodat wij deze slot-informatie op eind Januari, of misschien zelfs eind Februari 1598 hebben geschat {p. 98). Men weet trouwens, dat er inderdaad 89 personen van de heele vloot in Holland terugkeerden op resp. 11 en 14 Aug. '97 n.l. 90 min I, die tusschen Bali en Nederland stierf ajb Hollandia; verg. p. 361 hierachter, met noot 2 , zoodat dit „80." een fout konde zijn

XXXVIII

voor 8g ; hoewél meneer moet denken aan een g-tal zieke opvarenden, die aan wal gestorven waren toen Phillip dit slotbericht opving. ^)

De twee inwerpen die Phillip zich veroorloofde te vlechten in zijn vertaling, een kleine over Sumatra {zie p. iio) en een grootere over Java {zie p. iii 112), beide uit Linschoten vertaald, maken een eenigszins zonderlingen indruk; niet zoozeer op zichzelf, als om het feit dat vlak daarvóór {op resp. Di en D4 v^\ de gansche pagina blanco is gebleven, zonder eenige begrijpelijke technische reden. Het maakt den indruk of hier een misverstand heeft geheerscht tusschen vertaler en drukker. Phillip heeft die inwerpen blijkbaar toegevoegd hij was toch al bezig aan een vertaling van den heelen Linschoten, die in den loop van 1598 ook bij Wolfe zou verschijnen; zie p. g2 onderaan, met noot, en noot 2 op p. 105 , omdat hij i et s al g e- m e ens over Sumatra en over Java in den Holl. tekst miste, en deze leemte voor het Engelsche publiek wilde aanvulleri. Maar die twee toe- voegsels van hemzelf dienden dan ook met cursief-letter op twee af- zonderlijke bladzijden vlak daarbij te worden gedrukt, evenals verderop geschied is met den plattegrond van Bantam, die zelve E4 beslaat, ter- wijl de daarbij hoorende Legenda cursief zijn gedrukt op Fi {alias p. ly recto). Bit schijnt niet begrepen te zijn door den drukker, en zoo ziet men in het boekje als het ware twee bladzij als blanco-gaten.

Behalve de pagineering der bladen van den hoofdtekst rechts boven- aan, welke de uitgever Wolfe liet toevoegen aan de signatuur rechts onderaan, en die reeds werd vermeld in de noot op p. g^, heeft de signa- tuur-zelve het afwijkend systeem telkens „A4", „B4", enz. tot en met „L4" duidelijk gedrukt te vertoonen, in plaats van dit naar gewoon gebruik weg te laten. De I is bij de signatuur opgenomen, de J weg- gelaten; gewoonlijk deed men net andersom, ten einde verwarring met het Romeinsch cijfer I te voorkomen. Op de kaartjes staat, waar dat zoo uitkwam, een baas van een signatuur-letter zwaar gedrukt; een groote C op het kaartje van Madagascar, een groote E op dat van Java; andere signatuur dan deze enkele koeien-van-letters bleef bij de overige 4 weg. Dus géén B3, D2, E4, of K4 bij resp. „Africa"^ de fout over die „Punt" van Afrika is stilzwijgend verbeterd , Sumatra, Bantam, of St. Helena; evenmin eenig pagina-cijfer, dat trouwens bij E ook ontbreekt. De cijfers der bladen 3, 10, 13, 16, en 36 komen dus

i) Een interessante brief van Adelborst Lambert Biesman, dd. Amsterdam 9 Sept, 1597 aan zijn vader te Nijmegen, heft aan: „Desen dient alleen U.L. t aduerteeren dat ick God heb loff, nu weder gesondt ende wel te passé ben". Dit is dus een volledig herstel binnen de maand (zie nader p. LXXIV— LXXV). Maar Stuurman Kackerlack schijnt b.v. gestorven te zijn; zie p. XLIX.

XXXIX

jiiet voor; wèl, door een anomalie, een 5 op C, waar ook nog een kop- regel {„Ships voyage"),en rechts onderaan een tekstverwijzing {„The") zijn afgedrukt. Op dit kaartje van Madagascar staat voorts belworlijk een „Tropicus Capricorni" aangegeven.

Op welk een handige wijze Wolfe een heele plaat van de Holl. uit- gave (Plaat 9 van I) liet uitwinnen, door het Legendum van deze ie laten voegen bij de Legenda van den hier opgenomen plattegrond van Bantam {Plaat 4 van I; hier de 5e plaat van The Description, zijnde E 4 alias blad 16), is gememoreerd achteraan het bijschrift van onze Plaat 13. Eveneens, hoe de houtsnijder van dien plattegrond alleraar- digst geraden heeft waar zoo ongeveer de Moskee van Bantam (O) moest staan, die de kopergraveur van I had vergeten, en welke de gra- veur van II mis zou gissen.

Niet minder handig heeft Wolfe zijn uitgaaf niet het jaartal i^gy naar Engelschen kalenderstijl gegeven, doch ijgS, dat pas op 25 Maart voor hem zou beginnen. Een dergelijk vooruitloopen op een weldra aanva^igend nieuw jaar is net zoo goed bij uitgevers van thans welbekend.

De twee verrassingen in The Description zijn de twee gedateerde Opdrachten, de oudere vertaalde Hollandsche, en de jon- gere eigen Engelsche. Indien Phillip eens beide data had weggelaten, zonder verder één tittel of jota te wijzigen, hoe zouden we dan ver- armd wezen! Nu hebben we houvast; houvast aan de intieme geschie- denis dezer uitgaven. En zeer jammer blijkt dat de uitgever Wolfe in de opdracht der Addition {ons Ilb) welke zijne Description volmaak- te, die goede boekenzede verloochende.

Overigens werd de waarde van beide verrassingen reeds verwerkt in de op een etikele week na zuivere bepalingen van het verschijnen der uitgaven I, Ia, en Ib, terwijl we voor de nadere documenteer ing dezer drie data verwijzen lïaar p. g'2 g^ en g8 hierachter. De beide teksten, met ophelderende noten, vindt men hierachter afgedrukt op p. 103 105 {The Epistle Dedicatorie; n.l. van Phillip), en p. 106 log {The Epistle; n.l. van Langhenes). Het preludeeren daarbij van Phillip op „the proceeding" van een uitvoeriger O.I. reisverhaal, dat van „lohn Hughen of Linschoten", in een vertaling van zijn eigen hand al suggereert hij dit laatste slechts zéér bedektelijk , is niet een van de minst opmerkelijke zinsneden in die opdracht aan ridder Scudamore; zie p. 104, met noot 2.

Ook werd op p. 100—102 reeds hulde gebracht aan de scherpzinnig-

XL

heid van den Duitsch-Joodschen bibliograaf G. M. Asher (f 190^), die, toen hij in 1856 in het Britsch Museum een exemplaar van The Description tot zijn beschikking had, en alleen maar wist van één exemplaar der editie princeps van 't Verhael, in bezit toen van Fred. Muller te Amsterdam het ongerepte exemplaar te Göttingen was nog onontdekt; het exempiaar-Huth, thans te Amsterdam, sluimerde in particulier bezit , in een brief dd. Loeiden ig Dec. '56 aan (waar- schijnlijk) Tiele, die toenmaals bibliothecaris was van de Universi- teits- Bibliotheek te Amsterdam, tot de conclusie was gekomen: „Il y a aussi une traduction anglaise par Phillip; faite sur une seconde édition du même livre, augmentée d'une pré f ace et avec un changement dans Ie texte. On ne connaitaucun exempl. de l'éd. originale. La traduction se trouve au Musée Britannique" . Een opmerking, die Tiele voor ons gered heeft door haar te copieeren op een blad dat hij heeft laten inpiak- ken voorin het exemplaar van het Journael te Leiden; maar waarop Asher niet is teruggekomen, en waaraan Tiele nooit heeft geloofd.

Door het thans in dit Tweede Deel van „De Eerste Schipvaart" gegevene, is Asher' s terloopsche opmerking van 1856 ten eenenmale bewaarheid geworden en gestaafd.

De puzzle of er nog een andere Engelsche vertaling van Phillip mag bestaan, naar aanleidijtg van het verengelscht-Spaansche woord „pa- tereroe" {van Sp. pedrero), in voorjaar igij door ons genoteerd uit een exemplaar, dat op 22 Mei igij door de firma Mart. Nijhoff al- weder aan de Mitchell Library te Sydney is verkocht, en daardoor niet door ons gecollationneerd is kunnen worden met het exemplaar- Fred. Muller te Amsterdam {thans Ned. Hist. Scheepvaart Museum, No. ioy8; zie den opp.xxxiv, nooti reeds genoemden Catalogus-M en- sing, r gedeelte, 1923, p. 151), dat pas in najaar igij tot onze beschik- king is gekomen, werd reeds op p. 102 door ons behandeld; en voors- hands met een goede dosis twijfel beantwoord als nict-aannemelijk.

Doch met de voorbeelden die wij op p. 82 83 gegeven hebben van tekst-afwijkingen tusschen I en Ia {editio princeps en altera van het Verhael), en de 5 plaatsen die wij opp.gS onderaan hebben opgesomd waar het Holl. „steen-stuck" in de Eng. vertaling {Ib) volstrekt niet wordt vertaald met „patereroe ' , maar door „stone peece" {3 maal) en 2 andere Eng. omschrijvingen, is deze puzzle binnen het uur op te los- sen . . . te Sydney !

Voorshands gelooven wij echter alléén aan een exemplaar met hier en daar een pers-correctie, gedurende den druk aangebracht in precies

XLI

denzelfden tekst, als het een e Amsterdainsche, en de drie Londensche exemplaren in het Britsch Museum bevatten.

Vast staat daarnevens, dat de twee Duitsche vertalingen die in begin J5g8 van het Verhael verschenen, resp. te Neurenberg door en voor Levinus Hulsius, en te Keulen door Conrad Löw bij de firma P. Keschedt, allebei gemaakt zijn naar de editio princeps (/), en niets bevatten van het interessante waardoor de Engelsche vertaling (Ib) zich onderscheidt. De raadpleging dezer tivee klein-kwarto uitgaven, in één bandje gebonden aanwezig ter Univ er siteits- Bibliotheek van Utrecht, heeft ons daarvan overtuigd. ^)

i) Zie reeds Tiele's Mémoire etc. (1867), p. 122 over beide uitgaven; over die van Hul- sius — den geboren Vlaam Lieven Hulse, Gent ca. 1546 f Frankfort 1606, welke als Gereformeerde in 1590 was uitgeweken naar Neurenberg zie daarnevens A. Asher's „Bibliographical essay on the Collection of Voyages and Travels, edited and published by Levinus Hulsius and his successors", London Berlin 1839, Part I (p. 17 18), ook al munt deze studie van A. Asher (t Venetië, i Sept. 1853; vader van G. M. Asher) niet uit door preciesheid.

Hulsius' vertaling, i zijner Serie van XXVI reizen (1598 1640), waar\'an de eerste 6 te Neurenberg verschenen, alle andere (sedert 1603) te Frankfort, waar de machtiger Waalsche concurrent-uitgever Théod. do Bry sinds 1570 gevestigd was, is III -f 72 pp. groot, heeft een Opdrachtje dd. Neurenberg, i Febr. 1598, en dient 8 der 10 Platen van 't Verhael te hebben (i 5 en 8 10), voorts een kaartje van de wereld, van Madagascar, van Java en St. Helena. In het Utrechtsche ex. ontbreken echter al deze twaalf; in dat der Amsterdamsche Univ.-Bibl. (zie Dr. C. P. Burger Jr., Catalogus Geographieon Reizen,!, Amst. 1923, p. 53) staan enkel de kaartjes van Madagascar en Java.' Hulsius heeft er een eigen Inleiding bij geschreven „zum günstigen Leser" (p. i 8), maar valt dan met de deur van het Verhael in huis, door de rederijkers-Inleiding van Barcnt Langhenes (zie hierachter p. 3 4) weg te laten. De titel luidt: Kurtze Warhafftige Bcschreibung der newen Reyse oder Schiffahrt/so die Hollendischcn Schiff/in denn [sic] Orientalischen Indien verricht: . . . Aus der Niderlendischen in hochteutsche Sprach treulich verdolmet- schet / Durch Levinum Hulsium . . . [Vignet van een windroos om een wereldkaart je.] Gedruckt zu Nürnberg bey Christoff Lochner/In verlegung L. Hulsii, Anno 1598.

De alleen van signatuur, doch niet van paginatuur voorziene vertaling van Lew, of beter Löw, is letterlijker (A3 r' F3 r°) en begint met de rederijkers-Inleiding van Langhenes, geheel zooals het Verhael in de editio princeps doet, en eindigt met het twee- regelig tijdrijm (zie hierachter p. 76) in 't Hollandsch. Daarvóór heeft Löw zelve een kort overzicht der reis toegevoegd (A iv°), en een inleidinkje „An den Günstigen Leser" (A 2 r°-v°); gezegd overzicht eindigt: „Haben [n.1. de „zwey Schiff und Pinasse"] mit bracht viel Pfeffer/ Nagelcin/ Muscatennusz vnnd Blumen [= foelie]. Auch eincn Vogel der Fewrkolen verschluckt/ welcher den Herrn vnd Raht in dem Hage in Hollandt verehrt vnd geschenckt ist." Het boekje is dus 45 pp. klein-kwarto groot, en heeft tot titel in verbetering eenigszins van Tiele : Warhaffter/Klarer/Eigentlichcr Bericht/ von der Weiten/wundcrbarer [sic] vnd nie beuorgethaner [sic] Reisz oder Schiffart/bisz in India gegen der Sonnen auffgang gelcgen/welche . . ./gethan drey Schiffe/ . . ./vnnd eine Pinasse/ . . . Ausz Niderlandischer Spraach in Hochteutsch bracht/durch Conrad Lew aller Historiën Liebhaber. [Cul de lampe.] Gedruckt zu Cölln/Bey Peter Keschedt vnderderTrachenpfortten/ImJahrM.D.XCVIII. Een herdruk gaf Conrad Loew (sic) in zijn Meer oder Sechanen Buch", ook in 1 59 8 te Keulen verschenen, maar in fol io en bij B. Buchholtz; ex. Univ.-Bibl. Amsterdam (Burger, 1. c. p. 52).

XLII

II. ( J O u r 11 a e 1; begin Maart 1598).

Met het J o urn a el („lovmael") betrad Langhenes als Mid- delhtirgsch uitgever en hoekverkooper in den aanvang van i^gS een ruimer haan, zoowel wat tekstinhoud als tekstdruk betreft.

Het V er h a el , in zijn twee edities van eind 'gy, was ftiet meer gebleven. dan een rauwe eerste arbeid; onevenwichtig door het groot verschil in gehalte van het eerste derde deel der reis {April 'g3 tot en met Jan. 'g6), dat slordig, foutief, en vol gapingen in een soort over- zicht slechts wordt medegedeeld, naast dat der volgende twee derde deelen {Baai van Antongil tot de thuiskomst) die in een geregeld scheepsverhaal behoorlijk worden beschreven.

De groote innerlijke waardij van het J o urn a el is nu, dat het dit verwaarloosd eerste derdedeel op volkomen harmonische wijze aan- vult, en van het oudere Verhael een geheel maakt dat afgerond verloopt van begin tot eind. Hier kon Asher met volle recht in 1856 dus spre- ken van een „Log-book" der gansche reis, een scheeps- Journaal van de volledige eerste schipvaart der Nederlanders naar Oost-Indiè.

Een merkwaardig verschijnsel hij dat Journael blijft echter de zéér opmerkelijke gelijkluidendheid van het goede tweederde deel van 't Verhael, van Engano af, met deze nieuwe uitgaaf', zóó gelijklui- dend, dat we het geheel overbodig achtten om het Journael van hier af te herdrukken; en gelijk wij in Noot 4 op p. 13 aangaven alleen „eenige varianten" van daar af plaatsten, „die door ons in de Noten steeds . . . werden aangegeven". Door in den druk, van p. 13 onderaan af tot het einde op p. y6, de mtbeduidende varianten uit II {het Jour- nael) steeds in kleine letters als gewone noten te doen afdrukken, en daarentegen alle belangrijke varianten in het grooter lettertype van den hoofdtekst te geven onder de streep, als krachtig in het oog vallende Voetnoten, lieten wij, hij het doorbladeren van den tekst van het Verhael, aanschouwelijk zien waar die varianten van belang uit het Jourtiael zich bevinden.

Langhenes heeft dus, van Engano af, den tekst van zijn Verhael eenvoudig herdrukt, met diverse kleine wijzigingen en een gering getal belangrijke veranderingen, die te zamen ontleend moeten zijn aan een derde handschrift; aan minstens een derde, misschien 7iog wel hier en daar aan een vierde, waaraan hij iets interessants kon ontleenen voor inschuiving. Al te veel werk kon hij van zoo'n handig geregene- reerden tekst van 't Verhael echter niet maken, omdat hij een paar wc-

XLIII

ken vóór den fatalen 25 Maart 'g8 moest en zou klaarkomen met zijn nieuwe J o urnael- uitgave.

Want dchter hem stonden „sekere Coopluyden", door wier „begeer- te" juist dit Journael werd „gedruckt", zooals ostentatie/ op het titel- blad van deze uitgave wordt vermeld; ostentatie/, èn afleverend. Im- mers, in onze noot bij den aanhef van Jiet Journael {p. lï^, noot i) hebben wij er aan herinnerd hoe het Verhael, blijkens de door Phillip geredde Opdracht dd. Middelborgh, ig Oct. 'gy, door Langhenes was opgedragen aan de Hooge-Heeren-partij van Zeeland, met oud-burge- meester Ten Haeff als drijvende reeders-kracht aan het hoofd; maar Jwe achter de „sekere Coopluyden" van het Journael nauwelijks ver- borgen schuilt de figuur van den Vlaamschen reeder te Veere, de bru- taal-ondernemende MoucHERON, eenigszins een O. W. -type als in onze jongste geschiedenis, ópco^icurreerend tegen de zooveel gezetener, zoo- veel machtiger, maar zal de Vlaming in zichzelf wel gedacht heb- ben — zooveel sloomer Zeeuwschen-van-ras in de hoofdstad. Beiden konden hun eigen ondernemingen van resp. 3 en 2 schepen op denzelf- den 25 Maart 'g8 in zee zenden; Ten Haeff c.s. waren eerste geweest in toebereiding; Moucheron c.s. haalden hen in. Doch vóór diens schepen ree gingen, moest een heter Verhael, moest het Journael kant en klaar zijn om aan boord te worden medegenomen, met het Appendix incluis. Geen omhaal dus van een Opdracht bij 't Verhael nog net bijtijds door de groep-Ten Haeff gesupprimeerd ; geen geleerde inleiding ook aan den nieuwsgierigen lezer, zooals het Verhael die in den aan- vang toonde. Het Journael ging recht op zijn praktisch doel af, met de deur in huis vallend, een goed relaas gevend van de reis om de Kaap naar Madagascar; een, waar men op varen kon. Had Moucheron niet steeds een oogje gevestigd op een kantoor van zijn firma te Meiinde ^), dat men alleen via Madagascar of Sofala bezeilen kon; en waarop ook de dissenter van de Eerste Schipvaart, Commies van Boninghen, liggende in de Baai van Antongil, een zeer schuin oog Houtman c.s. zeiden: een verradersoog in begin Febr. 'g6 reeds had geslagen gehad. ^

In modern zaken-H ollandsch stellen wij ons den gang van Langhe- nes' beide uitgaven dan ook zóó voor: de uitgave van het Verhael heeft hij op eigen risico ondernomen; vandaar zijn opdragen aan groot- machtigen, en zijn geleerd-doen tot het nieuwsgierig en natuurlijk naar deze gewichtige reis met aandrang vragettde publiek. Dat hij goed had gezien, bewees de nieuwe oplaag van den luttel gewijzigden tekst, een

i) Verg. De Jonge's Opkomst, I, 1862, p. 143; geldend voor 1601.

XLIV

maand zoowat na den eersten druk. De Engelsche vertaling was een pure meevaller; de twee Duitsche dito. Maar de uitgaaf van het Jour- nael is betaald door Moucheron c.s.; en de Latijnsche en Fransche vertaling werden dat ook. Daar moest fanfare hij, d la Moucheron. Doch Langhenes was zoo wijs dit te vermelden op den titel, die „begeerte van sekere Coopiuyden" tot den druk. Zoo weerde hij min vleiende vermoedens af van de groep-Ten Haeff in zijn eigen woon- stad, die het woord „concurrentie" in dezen of anderen vorm gereed hadden. Hij betuigde zich op den titel als neiitraal man van zaken, waarvan ieder in Zeeland de stille verklaring wel wist.

Het Journael vertoont zich dus aan ojis als een nieuwe uit- gaaf, met een inderdaad geheel vernieuwden en gezonden kop, aaneen- gelascht aan een lijf dat een uit andere bron licht bijgewerkte tekst van het Verhael is. Het meest eenvoudig blijft om aan te nemen, dat het- zelfde handschrift dat dit goede nieuwe begin schonk, ook de varianten en wijzigingen bevatte welke in het corpus werden ingesmolten. Zeker- heid daarvan is echter niet te krijgen; misschien is de geboortegeschie- denis van het Journael ingewikkelder geweest. Maar als meest eenvou- dige verklaring mogen we hierin het werk van een derden opvarende der Hollandia, een Adelborst Z, zien, dat in den aanvang volledig, in het verder verloop slechts sporadisch voor den druk werd benuttigd.

De steller van dat derde handschrift, de anonymus Z, is eveneens wanneer wij deze meest eenvoudige verklaring, bij gebrek aan beter, als de juiste aannemen adelborst a/b Hollandia geweest van begin tot eind; maar een die, in tegenstelling tot den schrijver van het corpus van het Verhael, geen pro-Houtman-man was, doch iemand die op gepaste wijze vrage: misschien door Moucheron' s censuur pasklaar gemaakte gepaste wijze? eenige leuke of kritische opmerkingen over Houtman's grootdoenerij of over het heele bestier der vloot ten beste kon geven.

De meest perti^iente mededeeling, de stille lach over Cornelis de Houtman, is wel de periode bij diens aan wal gaan te Bantam op i Juli 'g6, een trompetter voorop, een zonnescherm boven het hoofd, een achttal gerapierde Adelborsten voor en achter, met een dozijn matrozen als sluiting van den stoet, afgedrukt op p. i8 onder de streep ^). De

i) Dat dit moment min of meer is vastgehouden door den graveur der titclplaat van 't Journael, werd in de noot op p. 19 reeds gezegd. Men zou het een portretje van Cornelis kunnen noemen: sandalen, lange kousen, korte pofbroek van damastfluweel, wambuis (van leer?), stolpkraag, lange schoudcrmantcl, hoogc vilten dophocd, het rapier aan een draagband ter rechterzijde (wel een teekenfout), het zonnescherm door een volgeling schuins nagedragen.

XLV

meest uitvoerige nieuwe lezing, die telkens Houtman met name noemt, afwijkend van het hlcurlooze en naaniloozc relaas in het Verhael, is de lange periode van 7 30 Oct. '96, afgedrukt op p. jg 43 onder- aan, u'aar Houtman los komt uit de Bantamsche gevangenis {13 Oct.) en tracht den peperhandel op gang te brengen die7i hijzelf door te lage prijzen in Juli en Augustus verkorven had; zooals zelfs I met duidelijke woorden bekent; zie p. 30 31 , totdat de onverhoedsche komst te Bantam van een Portugeesch gezant uit Malaka op 25 Oct. ineens een eind maakte aan dien peper-inkoop, welke van i8- 24 Oct. behoorlijk had gevlot. De duidelijkste kritiek op het heele bestier der vloot, tevens de laatste belangrijke aanvulling van het neutrale Ver- hael, is ivat het Journael zegt van 11 24 Dec. {zie p. 51 52 ofider- aan) over het geschil tusschen Schippers en Commiezen o?ider Bawean, welken koers men zou gaan; terug naar huis West-op, of déór naar de Molukken Oostwaarts. De dan gevolgde tragi-komische zeilpartij, tegen den Westmoeson in, van Bawean naar Bawean {13- 24 Oct.). En het slot waarbij de Schippers zegevierden met hun thuisvaart-plan, hetwelk zóó weinig dezen schrijver van 't Journael aanstond, dat hij schamper eindigt: „dan het schijnt de onse verlangden meer na huys, als na het profijt vande Compangie". Hier blijkt tevens hoe onpartij- dig de schrijver was in dit Journael, dat zoowel Oppercommies Hout- man uitlachte op zijn pas, als de naar huis hunkerende Schippers gispte. En de allerlaatste, doch korte toevoeging van gewicht in 't Jour- nael ligt dan in die twee alinea's op het laatst der thuisreis, 14 16 Juli {zie p. y2 75), een maand vóór behouden varen, toen de onvol- doende voeding ajh Hollatidia met groote ziekte en uitputting de be- manning trof en verlamde.

Het éérste derde deel van den in twee kolommen gedrukten tekst van het Journael (15 pp. in 't origineel) gaven wij voluit, verrijkt met veel mededeelingen uit het fragment- Journael van den tolk voor het Portugeesch Cornelis Jansz, gezegd Turck; mefi vindt het op p. 115 144 hierachter. De verdere 31 pp. van den origineelen tekst zijn op de daareven aangeduide imjze geëxcerpeerd, en toegevoegd aan p. 14 76 hierachter van het Verhael in de Noten van kleiner of grooter lettertype.

Maar ook in tekstdruk was Langhenes' Journael iets nieuws; voor hem, en indient wij ons niet sterk vergissen voor heel Nederland. Allereerst de twee kolommen, op elke bladzij naast elkaar, met een daardoor gewenschten ruimeren drukspiegel op het zoo typische lang-

XLVI

werpig formaat. Zóó typisch, dat er een enkele boekenliefhebber in ons land ïs geweest misschien nog hier of daar bij ons of daarbuiten bestaat? , die graag alléén „oblong s" verzamelde ^). Het Verhael is in één kolom, met een drnkspiegel van 13,6 x ig,5 cM., en een ?nargi- naal van 2,5 cM.; het Journael is zonder marginaal, doch met een drnkspiegel van 13 X 2i,y cM., dus iets minder hoog, doch 2 centi- meier breeder voor zijn beide kolommen; ter vergelijking voegen wij hierbij, dat Begin ende Voortgangh van vijftig jaar later {1645, en '46) een drnkspiegel heeft van 14,4 x 18,3 cM., met twee marginalen {links en rechts op elke bladzijde) van ieder i,3cM., maar gezet is met een ietwat Meinier Gothische letter, zoodat er 35 regels staan op elke kolom, tegen 28 regels op elke kolom van het Journael, en ook 28 regels op elke bladzijde van het Verhael.

Het kort na den Hollandschen tekst uitgeven van een Fransche e7i een Latijnsche vertaling, officiëele vertalingen van den standaardtekst feitelijk, ims iti voorjaar I5g8 een stout en nieuw stuk; ook al komt de eer van deze daad niet, naar alle waarschijnlijkheid, toe aan Langhe- nes, doch aan Moucheron; zooals boven reeds werd gezegd. Door een gelukkig toeval iveten wij zelfs wanneer de Latijnsche uitgave ver- scheen. Dr. C. P. Burger Jr. heeft toch in zijn Bibliographie van Gerrit de Veer's „Waerachtighe Beschryvinghe van drie seylagien" enz. {naar het Noorden; Amst., Corn. Claesz, i^gS), achter de her- uitgaaf door S. P. l'Honoré Naber voor de Linschoten- Vereeniging {'s-Grav. 1917, 2 dln.), er aan herinnerd dat in April 'g8 die Latijn- sche vertaling kant en klaar was van het „Diarium nauticum" { = Journael), zoodat een exemplaar naar Italië verzanden kon wor- den door den Atrechter plantkundige Carolus Clusius {Charles de l'Ecluse; j$25—i6og; sinds I5g3 hoogleeraar te Leiden); l.c. II, p. 2y2.

Want, dd. Leiden 7 Juli i^g8 {„Lugduni apud Batavos nonis Iidij M.D.xcviii.")schreef deze „C. C. A." sinds jaren lang her- kend als Carolus Clusius Atrebatensis {de Atrechter); verg. o.a. Tiele's Mémoire, i86y, p. 106, log in een, tot Opdracht zijner Latijnsche vertaling van De Veer's werk {Diarium nauticum, seu

i) Bedoeld wordt de collectionncur Vincent van Gogh te Amsterdam, wiens biblio- theek van 15 16 Jan. 1918 door de firma R. W. P. de Vries aldaar is geveild geworden. Als n°. 338 is op die auctie verkocht het ex. van het Caert-thresoor van 1598 (verg. hiervóór p, XXXIII, noot) met dat merkwaardige dubbele adres „Tot Middel- burgh, by Barent Langenes, ende men vintse te coop by Cornelis Claesz", als n°. 388 be- schreven in dl. II (1907) vau Moes en Burger. Het werd toen aangekocht door de Am- sterdamsche Universiteits-Bibliotheek, en komt thans voor op p. 12 in haar „Catalogus Geographie en Reizen", I (Amst. 1923), samengesteld door Dr. C. P. Burger Jr.

XLVII

vera descriptio iriumnavigatiojium caet.; Amst., Corn. Claesz, 1598, folio) dienenden, brief aan zijn vriend Giov. Vinc. Pinelli te Padiia {Napels i^jf) Padiia 1601; fameus bibliofiel en onmis homo toen- maals in Italië: ^^>i soort „Pomponius Atticiis") het volgende, dade- lijk in den aanhef: „Gee^iszins twijfel ik, geleerde Pinelli, of met groot genoegen hebt ge het S ch e e p s-J o urn a al g el e z en dat ik u mijn er zij d s in laatstleden April heb t o e- gezonden, waarin de Schipvaart der Hollanders naar Groot- Java beschreven staat; de éérste die zij naar het Oosten hebben durven wa- gen,niet zonder bewondering van velen, en den nijd van nog meerderen, die het moeilijk verkroppen dat die Schipvaart o^idernomen en vrij gelukkig volvoerd was door hen, die ze graag hadden zien omkomen. Zijzelf echter, niet tevreden dat zij de kennis van dien Zeeweg hadden verkregen, die tot nog toe alleen gewoon en welbekend was voor de Por- tugeezen, zijn nog een anderen opgegaan waarlangs zij, be-Noorden om, het Oosten konden bereiken" ; enz. ^)

Ook al mist dus het Journael innerlijke nadere daieering, gelijk het Verhael deze bood door zijn in het Engelsch geredde Opdracht van Langhenes, zoo is het toch in zijn Holl. tekst gefixeerd als: ver- schenen een paar weken vóór het nieuw vertrek naar Indië van de beide Houtmans op 25 Maart 'g8, reederij Moucheron & Co.; in zijn Lat. tekst als verschenen in April d.a.v., en wel tegelijkertijd verkrijgbaar te Middelburg, te Arnhem, en ... te Parijs. Dit laatste ondanks het, waarschijnlijk iets later, ook verschijnen van de Fransche vertaling, die Langhenes voor zijn eigen zaak behield, en niet tevens uitgaf ten name van zijn Parijschen collega, A drien Périer.

Hoe gretig de Amsterdamsche confrater èn concurrent van Langhe- nes, Cornelis Claesz, die er in I5g6 niet over gedacht had Linschoten's Itinerario te propageeren door een Latijnsche vertaling, nu, na den terugkeer der Eerste Schipvaart, zich vrij wetende, zijn lichten achter- stand als man van zaken ten snelste ging inhalen, en het Middelburg- sche breede voorbeeld met nog breeder gebaar ging volgen en volmaken, is reeds op p. ig8 igg hierachter gezegd. In hetzelfde jaar i^gS ver-

i) De tekst luidt: „Illvstri viro loanni Vincentio Pinello, C. C, A. Non dubito, illus- tris Pinelle, quin magnam voluptatem ccperis lectione Diau^ij Nautici, superiore Aprili è me tibi missi, quo Batavorum Navigatie ad lavam maiorem dcscribitur, eaque prima quam versus Orientem tentare ausi sunt, non sine raultorum admiratione, & plurimorum invidiè aegre ferentium, illam Navigationem ab ijs etiam esse susceptam & satis feliciter peractam, quos perditos cuperent. Ipsi tarnen, non contenti, se eius Navigationis noti- tiam percepisse, quae hactenus trita& familiaris fuit solis Lusitanis.aliam porró adgressi sunt, què per Septentrionem in Orientem pervenire possent." (fol. 2 r°).

XLVIII

schijnt hij hem: Lodewycksz in Hollandsch, Latijn en Fransch; Gerrit de Veer in dezelfde drie talen; Linschoten in 't Latijn pas in 'gg, waarmede Wol f e ie Londen hem nog te gauw af is geweest door reeds in 'gS met Phillip's Engelsche vertaling te komen.

Want WoLFE was in deze branche der Hollandsche zeereizen wat de Engelschen op handelsgebied een interloper noemen; evenals zij Mou- CHERON ten volle een interloper achtten, en graag van hem partij trok- ken, zooals John Davis, de piloot van Cornelis de Houtman op diens tweede en laatste reis, maar al te wel wist. Maar beiden hebhen als scherpe prikkels gewerkt voor een sneller ontplooiing der eigen Neder- landsche krachten, in Zeeland eerst, in Holland daarna.

De co7icurrentie van de Belgefi De Bry en Hulsius op uitgeversge- hied in Duitschland, was daarentegen deels mededinging uit den Ach- terhoek, deels werking uit onschadelijke verte. En Duitschland' s toe- komst lag toenmaals nog allerminst op het water, doch diep te lande in.

Ha. (Appendix oft B y-v o e c h s e 1; begin Maart 1598).

Tegelijk met het Journael is het Appendix verschenen; als één ge- heel; op den eigen titel van II zijn de „opdoeningen" en het Vocabu- laer der principaelste Javaensche [sic'] woorden" uit LIa reeds ver- meld. Een Journael van i^gS zonder zijn Appendix is dus defect. En ostentatie f staat alweder op den eigen titel van 't Appendix die fei- telijk een tusschentitel is ; „Door begeerte van sekere Coopluyden ghedruckt, ende men vintse te coop hy Barent Langenes". Enkele exemplaren dragen het fouiief-gedrukte jaartal 1618 {m.d.cxviii in plaats van m.d.xcviii); zoo dat te Leiden.

Maar er staat ook een naam op den titel van dengene, die dit Ap- pendix „in druck ghebracht" had: Cornelis Gerritsz van Zuydt lant. Wie nu kan zijn geweest die Cornelis Gerritsz. van Zuidland {op het eiland Pidten)? i)

In ons Voorwoord tot dit Appendix hebhen wij getracht het raadsel op te lossen: de vader van Gerrit Cornelisz van Spijkenisse {op Putten), dd. 2 Aug. 'gy a/b Hollandia overleden. Maarniet jneer dan aarzelend zijn we gekomen tot die poging van verklaring; men zie p. 148 150 hierachter. Of wij geslaagd zijn, kunnen anderen beter he-

i) Tegenwoordig heet deze gemeente, door toevoeging van een dorp ten W. en een ten N.N.W.: Zuidland, Oudcnhooru en Abbenbroek; met den burgemeester wonende te Zuid- land.

XLIX

oordeelen. Maar zooveel staat vast: het gansche Appendix is door één- zelfden persoan bijeen en in druk gehracJit ^). Even vast staat, dat de Landverkenningen van Kaap de Goede Hoop tot Straat Soenda, waar- mede het Appendix opent {zie p. i^o i6o; en onze aanteekeningen daarbij op p. lyy 186) werk zijn van den stuurman der Hollandia, Jacob Jansz., gezegd Kackerlack; ook andere onderdeelen dezer compilatie wijzen terug naar de Hollandia, waar de samensteller der „Beschrijvinghe vant Eylant ende Coninckrijck Baly" {p. i6g lyi) zeker aan boord is geweest, en die ook met hooge waarschijnlijkheid de „Verclaringhe" der „Caerte van het Conincklijcke Eylandt Baly" {p. iy2 ij4) heeft gesteld welke onmiddellijk behoort bij de vooraf- gaande beschrijving. Het slotstuk] e van het Appendix, de beschrijving van den Ceramschen casuaris, cadeau gedaan op 4 {of 3?) Dec. 159^ te Sèdajoe Lawas aan Schipper Schellinger, en levend en wel mede- gebracht naar Amsterdam {p. ly^ —176), is daarentegen samengesteld uit eigen aanschouwing door den „ick" die zich in den aanhef noemt, dat is: door Cornelis Gerritsz van Zuidland.

Maar waar had deze zijn laatste 4 „opdoeningen" vandaan gehaald, nos 21 24, alle van Java's Noordkust {zie p. 160 onderaan-i6i), die in Kackerlack' s hs. A niet voorkomen {zie p. i8y- 188)? Van- waar ook had Cornelis Gerritsz die 3 curieuze Woordenlijstjes, twee kleine uit resp. de Baai van St. Augustijn {p. 154) en die van Anton- gil {p. 158 159), en de grootere van ruim 150 Maleische en circa 20 Javaansche woorden, óf genoteerd op de reede van Bantam, of op de terugreis uit den mond der inlanders die men bij zich had {zie p. 361, noot 2), of maar zéér misschien op Holland' s vasten wal, na thuiskomst, uit diezelfde levende bron? Vooral ook: hoe kreeg Ger- ritsz. zoo die beschikking over de Landverkenningen van stuurman Kackerlack, welke wij immers als zoodanig kennen uit het hs. in 's Rijks Archief, al zijn ze daar dan enkel in copie? Was misschien Kackerlack, die zijn Journael a/b Hollandia op 21 Juni 'gy plotseling afbrak, evenals adelborst Van der Does dat reeds op 13 Juni te voren had gedaan {zie p. 3y8, slotnoot), niet alleen ziek in Holland aange- komen, zooals zoo véél anderen, maar misschien tusschen 15 Aug 'gy en circa eind Jan. 'g8 in Nederland gestorven.^ Zeker is, dat Kacker- lack's spoor na de Eerste Schipvaart ten eeiienmale verdwijnt, zooals we reeds opmerkten aan het slot van de bovenste noot bij p. 334.

1) Uitgesloten is dus de mogelijkheid, dat het „Midtsgaders oock seker Vocabulaer der Maleysesche [st'c] woorden /in druck ghebracbt door Cornelis G«rrt<s2. van Zuydt lant", op het eind van den titel van 't Appendix, zóó verstaan mag worden, dat deze persoon zich alléén bemoeid zou hebben met de zorg voor die Mal. Woordenlijst.

IV

ïfi iedey geval is Cornelis Gerritsz. niet een Putsche hoer ge- weest, of een doodgeimon plattelander. Zijn beschrijving van den Ca- suaris te Amsterdam is goed in den stijl van zijn tijd; de reeks van door hem bijeengebrachte bijvoegsels bij het Journael getuigt van rnim begrip zelfs, ook al zal Moncheron daar wel achter hebben gezeten en misschien de keuze van deze, bijna allemaal praktische, zaken hebben bepaald. Kranig in 't bizonder is het denken aan woordenlijstjes. Wat hadden de Portugeezen in die richting in het licht gegeven, nadat het relaas van hun allereerste reis mider Vasco da Gama {1497 '99) een lijstje Calicut-woorden had 7nedegebracht} i) Niets, naar ons beste weten; zelfs niet de Paters Jezuïeten onder hen sedert 1548 {toen zij hun eerste College te Goa hadden gekregen; St. Paul), een halve eeuw vóór het Journael. En dat nog wel, ondanks het hoogst intelligente voorbeeld van Pigafetta met zijn 8 Braziliaansche, 38 Patagonische, en 47 Maleische woorden, sinds 1550 door Ramusio algemeen ver- breid^). Of mag hier, bij 't Journael, in die Woordenlijsten de hand worden herkend van Frederick de Houtman, welke als Schipper van de Leeuwin zijn broer op 2^ Maart '98 volgen zou naar Atjeh natuurlijk met Langhenes' Journael + Appendix aan boord! , en zijn 2-jarige gevangenschap daar {Sept. 1^99 Dec. 1601) zoo prach- tig imst te gebruiken voor het bijeenbrenge^i van zijn „Spraeck ende woord-boeck, inde Maleysché ende M adagaskarsche Talen, met vele Arabische ende Turcsche woorden", dat als baanbrekende arbeid op dit gebied in 1603 te Amsterdam zou verschijnen.^

Ten slotte een vraag, louter als cofijecttmr geuit.

Indien waarlijk Cornelis Gerritsz. {van Zuidland) de vader is ge- weest van Gerrit Cornelisz. {van Spijkenisse), die op 2 Aug. '97 a/b Hollandia gestorven ivas, twaalf dagen vóór het schip de reede van Texel bereikte, moet deze „man" dan ook niet iemand van zekere op- voeding en beschaving zijn geweest; misschien een onderstuurman, misschien zelfs . . . Adelborst ?

116. (An Addition to the Sea Journal; begin

April 1598). John Wolfe, de Londensche uitgever, was gauw geweest. Hij

1) Bovendien pas bekend geworden in 1838 bij de uitgaaf van dit anonieme Journaal (Roteiro da viagem que etc, ed.-D. Köpke & Dr. A. da Costa Paiva, Porto, p. 116— 119). Verg. het gedeeltelijk terechtbrengen van deze 122 Malay&lam-woorden in E. G. Ravenstein's vertaling „A Journal of the first voyage of Vasco da Gama, 1497 1499". Hakluyt-ed. 99, London 1898, p. 105 108.

2) Het oorspr. hs. (ed.A. da Mosto, Roma 1894) heeft zelfs 8 Braz., 90 Pat., 160 Cebü- en 425 Mal. woorden.

LI

heeft zeer goed geweten wat er omgirig op Walcheren in najaar 'gy en begin 'g8, maar niet volledig. De uitgaaf van Langhenes' Journael + Appendix op ca. lo Maart heeft hem verrast. Van wat Claesz te Amsterdam als nieuwen arbeid{Lodewycksz' Eerste Boeck) weldra ge- reed zou hebben, wist hij niets; dat geheim werd angstvallig bewaard tot de twee Zeeuwsche vloten op 25 Maart weg waren en buiten het Nauw van Calais.

Zoo snel hij kon, heeft Wolf e blijkbaar zijn achterstand ingehaald voor de talrijke Engelschen, die hunkerden naar meer nieuws over die Hollandsche eerste Oostindiè-vaart. Dadelijk moet hij begonnen zijn den vertaler William Phillip en zijn houtsnijder of houtsnijders te mobiliseeren voor „An Additio^i"; nu gebruikte hij er ook een nieuwe kracht bij, den bekenden kopergraveur {tevens goudsmid) William RoGERS voor de kaart van Balt uit het Appendix. Rogers trouwens werkte toen in 'g8 heel wat meer voor hetn; hij maakte het Titelblad en niet minder dan j kaarten en 2 kaartvignette?i voor Wolfe'sLinschoten- uitgave in het Engelsch, waarvan sommige exx. het jaar i^gy dragen. Gelukkig had Wolfe aan „The Description" het jaartal i^gS bij den druk gegeven, hoewel dit pas op 25 Maart was ingegaan voor Engeland; de late aanvulling bleef dus nauwelijks te merken.

De arbeid voor „The Addition" , dus verdeeld, was niet groot. Phil- lip wist va?i wanten, en vertaalde er maar op los, of hij zijn tekst be- greep, of niet; zijne 26 blz. tekst, klein-kwarto formaat, nog met 2 volle bladzijden landv erkenningen en 22 kleine er tusschen gestrooid, kan binnen een paar weken klaar zijn geweest; de vergrooting der Woor- denlijsten van 2 tot 4 kolom i. Latijn; 2. Inlandsche taal; 3. En- gelsch; 4. Hollandsch kon alleen iets moetlijks wezen voor de nieuwe kolom Latijn, doch die zal wel verstrekt zijn door Langhenes naar de te Middelburg in bewerking zijnde Latijnsche vertaling, hier- boven in den brief dd. Leiden 7 Juli 'g8 van Carolus Clusius aan Pinelli gememoreerd, welke óók in April zou verschijnen {Diarium nauticum + Appendix). Onder de houtsneden is men geneigd een enkele aan een tweede, meer begaafde hand toe te schrijven, dan de overige welke veel meer naar routinewerk lijken; zoo is de afbeelding in The Addition van den casuaris {C4 r°) niet alleen veel beter dan die in het Appendix {laatste pagina), anders en beter van formaat {12,3 cM. hoog bij 8,5 breed; tegen 7,2 X g,6), maar deze slankere en iets smaller vorm is knap aangevuld met een hoogen vruchtdragenden ko- kosbootn en links verrijkt door een krachtigen pisangstam met vrucht- kolf en bloemkegel; alleen het onderscheid tusschen oog en oorschelp

UI

der beide casuarissen is onvoldoefid begrepen. Indien Rogers ook hout- sneden heeft vervaardigd en dat ligt toch wel voor de hand dan zou men zoo zeggen: hier is een houtsnede van William Rogers ^).

Toch heeft Wolfe, indien het aldus zou verschenen zijn als aparte uitgaaf, een anderhalve maand minstens of y weken na The Descrip- tion, en geëindigd zou zijn, conform het Appendix, met den Sédajoe- Ceramschen vreemden vogel te Amsterdam, dit geheel al te zeer „een mager beestje" geacht. Er moest iets bij tot opvulling. Te bekwamer tijd bedacht hij zich, dat hij 8 Platen van het Verhael {editio altera; Dec. 1597) in zijn Description niet opgenomen had, zoo goed als zeker spoedshalve. Acht platen met daartegenover de Legenda elk op een af- zonderlijke bladzijde, vormden juist twee vel klein-kwarto in druk. En zoo gebeurde het dat Wolfe' s nagekomen boekje, waarvan het corpus anders slechts 3 vel zou hebben geteld {A C; 24 pp.), nu 5 vel kwam te tellen {A' E) of 40 pp.; met inbegrepen niet medegerekend in de signatuur doch van den aanvang af mede-beraamd in den opzet van het boekje het fraaie koper dr uk-kaartje door Rogers van „The Ilande Baly" tusschen Civ° enC2 r°. Men zie hierover nader onze Plaat 14, met achterschrift.

Over het Voorwerk, de 4 ongesigneerde bladzijden, is nog niet gesproken. Want behalve het Titelblad (2 pp.), mocht thans bij dit af- zonderlijke nakomertje, een korte eigen Opdracht van den uitgever Wolfe aan een Londensch Heer niet otttbreken. Helaas, . . . hier hokt ons begrijpen ! Want wie was die „Mathias Rutten, Citizen of Lon- don", aan wien John Wolfe zijn boekje toewijdde, zichzelf daarbij karakteriseerende als „your Tenant" (p. 201)? Het raadsel bleef onop- gelost; men zie noot j op p. 200 hierachter. De naam lijkt die van een Nederlander; er zijn verscheiden „Rutten' s" b.v. in Limburg; maar

i) Blijkens A. M. Hind, A short history of engraving & etching, London 1908, p. 136, was W. Rogers: „The first English engraver of any importance, and the most typical of the Elizabethans". Daar hij tevens goudsmid was, werkte dit terug op verscheiden gra- vures van hem, „overloaded with ornament in high relief". Werk is van hem bekend tus- schen 1589 en 1604. Blijkens een schrijven dd. London 17 Sept. 1924 kende de heer Hind niet het door ons gereproduceerde Bali-kaartjc.

In den Engelschen Linschoten van 1598 (ex. Scheepvaart-Museurn te Amsterdam, 1102) heeft Rogers, „ciuis Londinensis" blijkens zijnTitelplaat, gegraveerd: in Part I Mozambique, en .'\scension; in Part H Zuid-Afrika; alsmede als titel-vignetten van Part II en Part III resp. een kaartje van Congo-land, en een halfronden -dubbel. Part II (Afri- ka-Z. Amerika), III (Reys-gheschrift), en IV (Spanje), vermelden alle drie de initialen VV. P. van den vertaler; Part I (Itinerario) echter niet. De pagineering der 4 gedeelten loopt dóór: i 197; i97[sic] 259 [lees: 295]; 307[sic] 447; 451 462. TiELEhadcerst de Engelsche vertaling niet gezien (Mémoire, 1867, p. 90; zelfs verzwegen in zijn Ned. bibliographie van 1884); maar Voluitdaarop beschreven naar platen en kaarten in 1885 op p. XVII XIX van dl. I der Hakluyt-heruitgave, u". 70-71.

LI II

hcivoordingen van Wolf e tot zijn Heer, als met name „your forward- ness in all thinges tending to the seruice of the Queenes Maiestie" {p. 201), kunnen moeilijk tot een niet-Engelschman zijn gericht. Of was misschien deze Rutten een ingeburgerde Zuidelijke Nederlander, aan wien Wolf e belangrijke geldelijke verplichtingen had?

Eén ding blijft zeer jammer: dat Wolf e zijn Opdracht niet heeft ge- dateerd ! Wat zou het ons van waarde wezen te weten, wanneer hij de uitgaaf van dit boekje had afgesloten, waarvajt immers het corpus op zijn vroegst ultimo Maart 'g8 gedrukt klaar kon zijn. Indien we dan ook een conjectuur mogen wagen, zoo zouden we i April 'g8 voor die opdracht geenszins onaannemelijk achten.

Nog meer jammer tot tijd en wijle een tweede exemplaar van The Addition aan den horizon zal zijn opgedoken moet heeten, dat het exemplaar van de firma Fred. Muller {tot igi6), na- die?i No. loyS in het Ned. Historisch Scheepvaart Museum te Am- sterdam {zijnde Description + Addition, in één band weleer gebonden; zie p. I^i van den meergenoemden Catalogus-'ME'i^- SING, Bibliotheek, i^ gedeelte, ig23)y het eerste blad. Ai r°-v°, van zijn hoofdtekst mist. Wat is dat geweest.^ Géén tekst vermoedelijk, maar wellicht gelijk wij op p. ig2, en noot, reeds hebbent gegist een Plaat die de aardige titelprent van het oorspronkelijk Appendix teruggeeft. En zoo ja, wat voor een plaat dan? Een kopergravure? En dan van Rogers?

Slechts nog even iets naders over dit Amsterdamsche unicum. Inéén zijn Description en Addition hier gebonden, in een antieken band waarvan beide schutborden geheel zijn verdwenen. Maar de drie bind- ruggen, boven, midden, en onder, met hun touw, zijn nog aanwezig; op den voorkant van het voorste schutblad staan, evenwijdig aan den rug, drie regels Latijn in oud schrift, en erboven het eind van een vierden dito regel; de laatste pagina achteraan draagt het vermakelijk „Erra- ta" {sic) der Addition, op p. ig2 reeds met een glimlach gememoreerd, 7net daaronder een langwerpig Renaissance-slotvignet {twee zittende vrouwenfiguren, de linksche op haar Romeinsch, de rechter meer au naturel, houden samen een lauwerkrans vast boven een manshoofd).

De oorspronkelijke eigenaar van dit exemplaar heeft dus goed ge- weten wat hij deed. Hetgeen door geboorte een anderhalve maand min- stens scheelde, en nu niet zoo dadelijk naar onze nummering als Ib en Ilb te herkennen viel, heeft hij bijeengebracht, wezenlijk com- pleet gemaakt in zichzelf; terwijl zélfs het Britsch Museum, die Lon- densche boekcnschat welke ivijlen Alexandrié naar de kroon steekt en

LIV

heeft opgevolgd, tot heden zich moet contenteeren met 3 exx. van alléén The Descri-ption.

Hoezeer men trouwens in het midden der i8e eeuw zich bewust was, dat heide uitgaven te zamen één geheel vormden, blijkt overduidelijk uit den herdruk die aan Phillips' vertaalarbeid ten deel viel in dl. II {1743) van „A Collection of Voyages and Travels . . . Fr om the curious and valuable Library of the late Earl of Oxford", te Lon- den bij Th. Osborne verschenen ^). Men vindt daar op fol. J95 421 eerst den herdruk van „The Description of a Voyage . . . Translated out of Dutch into English by W, P.", met Phillip's Opdracht èn die van „BeRNARDT Langhenez"; en dan op fol. 423 431 zéér in- gekrompen en van alle illustraties beroofd „An Addition to the Sea-Journal . . . By John Wolfe", waarin Wolfe's Opdracht aan Mathias Kutten is gesupprimeerd, en alleen de Woordenlijstjes, iets over Bali en den Casuaris, en de onderschriften der platen zijn opge- nomen. Een kaart van den Indischen Archipel „By Herman Moll, Geographer" is vooraan toegevoegd, en in een noot op fol. 3g6 bij Lan- ghenes' Opdracht dd. Middelburg ig Oct. isgy, teekent de uitgever aan: „This is a different account from that published by Purchas and Harris"; daarbij dus verwijzend naar de onbeduidende over- zichten der oude Ned. reizen in de verzamelwerken van beide, resp. dl. I van Purchas (1625) en dl. I van John Harris {.i' ed. 1705) ^).

lila. (Onbekend Capittel ig"- van Lodewycksz' D'E erste Boeck; midden April 1598).

De groote verrassing van dit in igi6 door Dr. F. C. Wieder in Engeland gevonden nieuwe Hoofdstuk van Lodewycksz, gedrukt, niet in eenigen tekst van d' Eerste Boeck, maar op de blanco-rugzij de van slechts een enkel exemplaar der groote „Nieuwe caerte op Java gheteeckent, van de eylanden van Java, Sumatra, Borneo tot Malacca toe . . . door G. M. A. L." een kaart, welke op zichzelf reeds in mid- den April 'g8 door Cornelis Claesz a/s uitgever teruggehouden was , is door ons alreeds op p. 205 210 hierachter behandeld bij de Inleiding tot dit nieuwe Capittel, datwij'voorstelden te nummeren: ig^.

i) Dit en het volgende in toevoeging, tevens lichte verbetering, van hetgeen wij in noot 2 op p. 105 hierachter indertijd hadden ontleend aan de Dictionary of National Biography. Wij konden toenmaals nog niet beschikken over de 2 folio-dln. der Oxford Collection. Beide deelen zijn in hetzelfde jaar 1745 bij Osborne verschenen; het eerste be- vattende reizen in Europa en Voor- Azië; het tweede die in andere werelddeclen.

2) Verscheiden, en soms lange Noten, ontleend aan Lodewycksz, zijn door Osborne dan ook toegevoegd bij den herdruk van The Description. De pagineeringis erin de war; iol. 393 behoorde te zijn: 403, enz. verder.

I.V

Een Naschrift [p. 222 229) wierp daarbij licht op het geknoei met kaarten tusschen Portugeezen en Spanjaarden, waar het de Molukken gold, sinds den aan groote gevolgen zoo zwangeren dag {Maandag 10 Aug. 1519) toen de Portiigeesche lands-glipper Magalhaes de haven van Sevilla verliet om zelfstandig de Molukken te zoeken langs Weste- lijken koers en met Spaansche schepen, uitgereed met hooge en open toestemming van de Spaansche Kroon.

De derde partij, die bijna driekwart eeuw later uitzeilde om de Molukken te bereiken en er zoo mogelijk zich vast te klampen, koos den vanouds bevaren Portugeeschen koers, zeilde op in stilte verkregen Portugeesche zeemansgidsen en kaarten, gecondenseerd voor een groot deel in Linschoten's standaar dboek, en bracht, hoezeer Houtman's schepen het eigenlijke doel niet vermochten te naderen, allerlei kost- bare gegevens mede terug die verwerkt zouden worden voor de uitree- ding der Amsterdamsche Tweede Schipvaart onder Van Neck, welke ter dege doel zou treffen.

Voor dien tweeden zeetocht uit Amsterdam zou D' Eerste Boeck de gedrukte piloot zijn, die samenvatte wat men op de Eerste Schipvaart Imd ervaren en nader te weten was gekomen; het eerste en gespeciali- seerde Vervolg op Linschoten; aangevuld door allerlei papieren en kaarten welke strikt geheim moesten blijven, en door de levende erva- ring van hen die den eersten tocht hadden medegemaakt voorzoover ze opnieuw meegingen.

Lodewycksz' groote kaart, die wij nog juist ter tijd in igi5 als Kaart VII bij D' Eerste Boeck konden geven, was eerst niet ge- heim geweest in 1398, te elfder ure toenmaals toch geheim verklaard; De Bry te Frankfort heeft een exemplaar bezeten, dat hij in verklein- den vorm toevoegde aan de Duitsche vertaling uit 1601 van D' Eerste Boeck ^). Maar de HoUandsche tekst die op enkele der toenmalige

i) In dl. III der zgn. „Kleine Reizen" van de De Bry's, dat zijn die in kwarto-formaat naar Afrika, het Oosten, en het Noorden; de zgn. „Groote Reizen" zijn die in folio-for- maat naar de Nieuwe wereld, en de Wereldrondreizcn. Zie over de zotte fouten op deze Groote Kaart van Lo<lewycksz, en het slaafsche copietje bij De Bry (waar Prof. Schlegel in 1901 nog inliep), het bijschrift op ons Kaartje III hierachter, p. 14 (2°).

Terecht heeft wel Dr. Burger bij zijn beschrijving van alle, hem bekend geworden, af- zonderlijke kaarten door Cornelis Claesz uitgegeven tusschen 1591 en '98 (De Amster- damsche boekdrukkers en uitgevers in de i6e eeuw, IV, 1915, p. 402 445) de meening geuit, dat, behalve deze groote kaart, waarnaar dan het veel kleinere „Caerigien van Java etide Suinatra" gegraveerd had moeten worden aan het slot van Cap. 18 in Lode- wycksz (zie ed. IQ15, p. 98), hetwelk echter in alle exx. ontbreekt, er óók een groote Kaart door Claesz in het licht zal zijn gegeven conform het kleine, maar zeer instructieve overzichtskaartje Europa-.-\frika-Indië, dat als titelblad dient van D'Eerste Boeck. Dit toont ccnerzijds de Oostpunt van Brazilië als grens, anderzijds de lijn Philippijnen-Cele-

LVI

exemplaren ter rugzij de stond afgedrukt, was wel oorspronkelijk even- eens voor publicatie gereed gemaakt, doch door de Amsterdamsche reeder s om ééne passage {men zie Noot 2y opp. 218) plotseling gepro- moveerd tot en weggesloten als zeer geheim; niet bestemd voor eenig dwarskijker, laat staan mededinger; doch enkel en alleen tot gemak van een dozijn Commiezen met wat Schippers voor de nieuwe zeilree rakende, Amsterdamsche vloot van 8 schepen onder Admiraal Jacob Cornelisz. van Neck, die dd, i Mei 'g8 van Texel schoot zou gaan, nadat de manschap circa 560 koppen reeds op 9 Maart was aangemonsterd geworden.

Zelfs mag het wonder heeten, dat nog één van die „aller geheimste" kaarten aan den ondergang is ontsnapt; en thans deel uitmaakt van de belangrijke verzameling oude zeeboeken en zeekaarten in 't bezit van den heer W. A. Engelbrecht te Rotterdam. Aan zijn liberaliteit danken wij het, dat dit kostelijk document hier voor het eerst wereld- kundig kon worden gemaakt en ten volle opgehelderd.

We zouden hiermee kunnen volstaan, en verder verwijzen naar onze inleiding op en naschrift bij III a met aan het slot dat allerverma- kelijkst woordenduel, open en bedekt, tusschen Plancius en Lin- SCHOTEN, die met hun papieren degens mekaar porren gaven tusschen

1597 ^^ JÓOJ zooveel ze maar konden (p. 226 229) , indien erniet onderwerpen waren die nog eens in dat verband met nieuw licht moeten worden bezien.

Dat nieuwe licht danken we aan de kaarten van Lago.

Als prachtig voorbeeld van den door Magalhdes ontketenden strijd over de vraag: wien hooren de Molukken nu toch in waarheid toe, den Portugeezen of den Spanjaarden.^ komen blad 7 en 8 {numme- ringvan Dr. Wieder in Tij dschr. Ned. Aardr. Gen. igi6, p.gj4), op onzeKaartjes XI enXII voor de essentieele gedeelten gereproduceerd,

bes-Timor (maar géén Molukken!); en draagt het veelzeggend bijschrift: Typus expeditio- nis nauticae Battavorum in lavam, absolutae 1597. Dr. Burger voegt toe: „zulk een kaart geeft DE Bry ook" (p. 443); dus in 1601. Doch eenHoll. exemplaar uit 1598 in groot for- maat is nog niet aan het licht gekomen.

Een nader bevestiging dat de groote Kaart VII, zij het in verkleinden vorm, met opzet uit Lodewycksz is weggelaten door Claesz, geeft de folio-uitgave in het Latijn, ook in,

1598 bij hem verschenen, onder den titel „Prima pars Descriptionis itineris navalis caet." Hier was alle gelegenheid geweest om de groote Kaart gevouwen in te voegen achter fol. 23b, waar onderaan ook gedrukt staat: Hic ponenda est Tabula lavae & Sumatrae. Maar neen! De verwijzing is er wel; alle platen van den Holl. druk zijn er ook, nu alle gedrukt op folio-bladzijden tusschen tekst, met het aardige overzichtskaartje op het titelblad incluis; doch de „Tabula lavac & Sumatrae" schittert door afwezigheid! Dit is en was dus puur opzet.

i.vir

nog in den jare i^go getuigen. Getuigen, niet voor het oude Spaansche standpunt, noch voor het oudere Portugeesche; maar ^'oo^ beide tege- lijk ! Getuigen, niet door een jongere Spaansche teekenhand, welke al die eerste ayitdekkings-aanspraken der Portugeezen van 1512 af slechts larie en aanmatiging achtte; niet ook door een conservatief- Portu- geeschen kaartenmaker die de heele ontdekking der Filippijnen, de vaste vestiging der Spanjaarden aldaar sedert 24 Juni i^yi {stichting van Manila door Legazpi, den Bask; ] aldaar 20 Aug. 1572) nsur- patie en indringing binnen de heilige Pauselijke scheidingslijn van 1493 achtte en bleef achten; maar beide tegelijk.

Het merkwaardige van Lago's persoon en werk, zijn 7neesterlijk sparen in i^go, kort voor zijn dood {?) , van Kool en van Geit, zijn poli- tieke handigheid om noch Portugeesche visch noch Spaansch vleesch te wezen, straalt door in al de 8 Kaarten die, dank zij Don Antonio Blasquez voor Spanje en daarna Dr. F. C. Wieder voor Nederland, in Jgi5 uit duisterheid weder tot licht zijn getogen.

De man heet van zichzelf, goed-P ortugeesch, LA90, en heet ook zoo officieel in 1564 bij zijn vak-examen; d.i. meneer „Lus", zeg: Strick. Maar hij verspaanscht zijn naam weldra, en heet in i^yo reeds Laso, een koeterwaalsche schrijfwijs voor goed-Spaansch „Lazo", wat het- zelfde beteekent i). Hij blijft koeterwalen, en schrijft bij zijn Atlas van 1590 eigenhandig een tweetal regels die Portugeesch schijnen, doch niet weinig corrupt zijn. Ditzelfde mixtum {gy ag$% Port. ; jd 5% Spaansch) spreekt ook uit de legenda bij al zijn kaarten. En de groote groote moeilijkheid waar hij als kartograaf voor stond: waar valt nu toch de ware scheidingslijn tusschen de Spaansche en Portugeesche koloniale gebieden, eenerzijds in Brazilië dat politiek en „econo- misch" {zóó luidt dit mooie statiewoord sinds ca. 25 jaar, voor wat nuchter beduidt: geldelijk) zeer weinig er op aankwam , anderzijds in het Uiterste Oosten dat er om macht en om rijkdom zoo heel véél op aankwam, lost hij op door een handigheid die elegant zou kunnen heeten, indien ze niet zoo verdacht argeloos ware.

Bij het eerste knoeit hij zichtbaar als Portugees; bij het tweede wel- berekend-slim als tweeslachtig Iberiêr.

Om met het laatste, het gewichtige Filippijnen-M olukken-pro-

i) Port. „lasso", Sp. „laso", beteckenen daarentegen: vermoeid, mat. De beide schrijfwijzen naar de documenten, afgedrukt op p. 169 171 in dl. I (1898) van Sousa ViTERBO*sTrabalhos nauticos dos Portuguczes nos seculos XVI e XVII. Zijn examinator in 1564 was niemand minder dan de beroemde mathematicus Pedro Nunes (ca. 1492 Ï578), van 1544 '62 professor te Coimbra, Oppcrkosmograaf sinds 1548.

LVIII

bleem, te heginnen: 7nen ziet op onze Kaarten XI en XIII niets van een Grenslijn; doch op Kaart XII ziet men er een die wel voor half- blinden bestemd lijkt. Graadverdeeling op zijn evennachtslijn heeft hij niet aangebracht; zooals zoo duidelijk en demonstratief wel in I52g gedaan had de naar de Spanjaarden overgeloopen Port. kartograaf DiOGO RiBEiRO (t 1533), als brutaal pleiter voor Spanje' s rechten. Men zie maar eens de sprekende reproductie in kleuren, die Tiele reeds in 1883 gaf in het Feestnummer der Bijdragen Kon. Inst., naar het exemplaar te Weimar, van Voor-Indiè, Achter-Indië en den Mal. Archipel; of de, minder duidelijke doch totale reproductie in zwart van deze Sevilla-wereldkaart naar het ex. te Rome, op blad 48 en 4g van Nordenskiöld's Periplus (iSgy) ^); waarnaast men met vrucht het schema-kaartje van Ribeiro's Weimar-ex. kan leggen, dat Ruge gaf bij p. 438 zijner Geschichte des Zeitalters der Entdeckungen {188 1). Den N u l-m eridiaan had Riheiro gegeven conform het Con- tract dd. Tordesillas 7 Juni 1494 tusschen de Katholieke Kaningen {Ferdinand en Isabella) van Spanje en Johan II van Portugal; dus dwars door tegenwoordig Brazilië langs den meridiaan ongeveer van thans ^0° W.L. Gr., d.i. de lijn Noordmonding der Amazonerivier- heZ. Rio Grande; of in breedtegraden: dwars door tegenwoordig Bra- zilië van de Oostkust bij die monding tot de Oostkust bij 35° Z.Br. Doch zijn 180° Oost had hij op den aequator aangegeven circa 7 ten Westen van Djilolo, zoodat, naar de tegenwoordige kaart, die grenslijn liep langs den meridiaan van ongeveer 120'^ O.L. Gr., welke over BonthaiH gaat, waardoor de gansche Groote Oost mitsgaders de pas in 1521 door Magalhaes ontdekte Filippijnen om van het toen nog onbekende Celebes te zwijgen tot Spaansch territoor werd verklaard. Voor wie geen kaarten kon of wou lezen, had hij, weerzijds van die primaire G r en s lij n door Brazilië {Sp. la Raya), in zee op ca. 55° Z.Br. twee vlaggetjes geteekend, links de Spaansche, rechts de Portugeesche. Voor diezelfde min of meer moedwillig-halfblinden had hij in Oost- Azië maar zonder de Noord-Zuidlijn bij die 180° Oost te trekken, slimmer d als hij was! in zee op zoowat 35° Z.Br.

i) De reproductie in kleuren, iets verkleind (58 x 1,40), van 't ex. te Rome (De Propa- ganda Fidc), in 1 887 door de firma VV.Griggs te Londen gegeven, bezit gelukkighctNcd. Hist. Scheepvaart Museum te Amsterdam (n° 812). Daarnaar weer gaf Nordcnskiöld in den Periplus zijn 2 kaarten op halve gi'ootte en in zwart; met slordig en deels onjuist bij- schrift op fol. 155 (dat de woorden geeft op het ex. te Weimar, dus zonder: „ë SeujUa").

De fraaie reproductie op volle grootte en in kleuren naar het ex. te Weimar, in 1860 gegeven door J. G. Kohl bij zijn tekst „Die beiden altesten Gencral-Karten von Ame- rika, ausgeführtin . . . 1527 und 1529 auf Befehl Kaiser Karl's V" toont slechts de strook der gansche Oostkust van Amerika (Labrador-Oostkust Mexico-Straat Magalhaes).

LIX

Óók twee vlaggetjes getcekend, links nu de Portugeescke, rechts de Spaansche. Zóó eindigt de kaart rechts heOosten Djilolo op ca. i66° West. Maar o sluwheidl links begint ze met een overlap op ca. lyS^ Oost, dan wéér diezelfde Molukken en „Gilolo" geheel als voren; en dan bij ca. i6o° West van gezegde „Raya", dat is dus 20° Oost van zij n eigen M olu kk e n-g r en s, volgt, enkel in rood (zonder geel nu, of blauw), en zonder éénigen naam, maar toch boekdeelen sprekend, een tweede Gilolo, met aanhangende Molukken en verdere anonieme eila^iden. Men moest het eerste beeld dus lezen; maar men kon het tweede beeld óók lezen; doch dit laatste als een dwaze spook gedachte, eefi nonsens-idée, een fata morgana, als zoo iets echt-P ortugeesch vol Lusitaansche grootdoenerij en overdrijving. Be- weren de Spanjaarden niet grimlachend tot heden ten dage, dat de Por- tugeezen altijd viermaal meer ruiterij in hun leger hebben dan zij heb- ben; . . . omdat ze niet de hoofden der paarden tellen, maar de beenen? Na 1530 was dit alles een afgedane zaak geworden, louter oude historie, zalmen zeggen. Was niet op 22 April 1329 mitsdien een maand zoowat nadat Ribeiro te Sevilla zijn propagandistische We- reldkaart had afgesloten ^) te Zaragoza tusschen Koning Johan III van Portugal en zijn zwager Keizer Karel V het beroemde Moluk- ken-Traktaat van ly artikelen gesloten, waarbij in art. i 2 de Kei- zer voorniet minder dan 330.000 gouden dukaten verkocht, met recht tot wederinkoop, al zijne rechten van bezit in en scheepvaart op de Molukken, onder verlegging der grens tusschen bei- der gebieden naar zeventien evenaar-graden {ad lyY^ l^goa's = thans 77 14 X 3556 M. elk) beoosten die Molukken; anders gezegd naar den meridiaan van „de eilanden der Zeilen en van Sint-Thomas" {thans Guam en Rota), dus den meridiaan der 2 Zuidelijkste van de Ladro- nen {alias later Mariannen), op 6- 8 Maart 1521 door Magalhdes ontdekt, e?i toen dadelijk geschat op 300 legua's afstand van Djilolo, in de richting N.0. ten O.? 2) Zoodanig, dat de nieuwe politiek-kolo- niale grenslijn in Oost- Azië voortaant kwam te vallen „van heden af tot voor altijd" volgens „eene lijn van pool tot pool, wel te weten van

1) KoHL (o.c. fol. 24, 37 38) meent, wel zeer ten onrechte, dat Ribeiro zijn Wereldkaart te Sevilla pas begon na 22 April 1529 en afmaakte in eind Mei d.a.v., zoodat de Keizer haar op 12 Aug. '29 bij zich had, toen hij op dien dag per schip uit Spanje te Genua aankwam.

2) De naam „islas de los Ladrones". in het Journaal van Magalhies-Elcano (gehou- den door den stuurman Francisco Albo a/b Victoria van Di. 29 Nov. 1519 4 Sept. 1522) op 9 Maart 1521 vermeld, komtnte/ voorin art. 2 van het Traktaat. Alleen de twee eigennamen van de toen in 1521 op resp. 12^/3 en ruim 13° N.Br. bepaalde „islas de las Vclas y de Santo Thomé" worden in 1529 genoemd, met de toevoeging dat deze 19°

I-X

Noord tot Zuid, langs een halven cirkel" op dien genoemden afstand: ly X lyYolegoas = 2gyy2legoas méér Oost? ^)

Deze ^14 ^^^ gouddukaten, in vier termijnen door Portugal aan Kastilië uitbetaald tusschen Mei en Oct. i^2g, conform art. i, zijn nimmer teruggestort door Spanje; nimmer heeft dit dus zijn recht teruggekocht om be-Westen den nieuwen Oostaziatischen meridiaan vrij te varen, te laden en handel te drijven, laat staan bezits- of hoog- heidsrechten uit te oefenen, nevens de Portugeezen. Nimmer ook heeft Portugal gebruik gemaakt van zijn recht op nadere wetenschappelijke toetsing en revisie van den Molukken-meridiaan volgens art. 3, waar- door het zijn 3Y2 ton ducaten zou hebben teruggekregen, indien het in het gelijk ware gesteld. Blijkbaar was het veel te blijde verlost te zijn van deze grenskwestie met den machtigen buurman.

Doch wat Spanje zelf niet meer durfde doen na zijn tweeMolukken- tochten vóór het Traktaat {Magalhdes-Elcano, i^ig '22, van Sevilla^

N.O. ten O. van Ternate, alias „bijna zeventien graden op den evenaar", liggen, en zich bevinden op „de bovengenoemde lijn en halfcirkel" (por huum semicirculo que diste de Maluquo al nordeste, tomando laquarta del este, diez y nueve grados, a que conrre^pon- dem diez y sete grados escasos en la equinocial, em que montam dozientas y novienta y sete legoas y media mas a oriente de las islas de Maluquo, dando diez y sete legoas & media por grado equinocial). Verg. resp. bij Navarrete, IV, 1837, p. 2i9{Albo)en 394 (art. 2). Denaam „Santo Thomé" voor het Noordelijkste eiland komt echter weer m«/ voorin de 3 gespaarde Journalen der reis (Albo, Pigafetta, Pancaldo). Voor de identifi- ceering van beide, zie o.a. J. Denucé, Magellan. La question des Moluques et la première circiminavigation du globe, Bruxelles 1911, p. 305 307; alwaar echter de naam „Santo Thomé", dien Rota in J529 blijkbaar officieel droeg, onvermeld blijft.

Op Ribeiro's Wereldkaart van Maart(?) 1529 staan 2 grootere eilandjes, met 2 kleinere vlak ernaast, en alleen het bijschrift: delos ladrones, zonder meer. De naam„Eilanden der Zeilen" als verzamelnaam voor de Ladronen (in 1668, bij de annexatie door Spanje, ter eere der Koningin-Moeder tot „Mai'ianas" verdoopt), komt nog voor op de kaart uit 1641 van den Lissabonner Antonio Sanches te Den Haag, Kon. Bibl.: Y"" delas velas; zie Plaat lin E. W. Dahlgren, Thediscoveryof theHawaiianislands, Uppsala 1917.

i) Het Traktaat staat zoowel afgedrukt in M. Fernandez de Navarrete, Coleccion de los viages y descubrimientos, que hicieron por mar los Espanoles desde fines del siglo XV, Madrid, dl. IV, 1837, p. 389' 406, naar het ex. in bet Archivo de Indias te Scvilla; als in de „Alguns documcntos do Archivo Nacional da Torre do Tombo acerca das nave- gaföcs e conquistas portuguezas". Lisboa 1892, p. 495 512, met facsimile, naar het ori- gineele duplicaat in het Staatsarchief te Lissabon. Deze laatste afdruk is volledig, met de openings-considerans en de beide ratificaties, welke alle drie bij Navarrete ontbreken; op p. 497, r. 15 v. o. is echter een heele regel uitgevallen; verg. Navarrete. In het begin noemt het Traktaat zichzelf tweemaal: ecne akte „de venta, cora pacto de retro vendendo" (d.i. „van verkoop, met beding van terug-verkoop"). De taal is Spaansch, met hier en daar brokstukken Portugeesch, waar D. Joao III zelf spreekt. De machtiging van Karel V voor zijn 3 onderhandelaars was dd. Zaragoza, 15 April 1529; die van Johan III voor zijn écnen gemachtigde dd. Lissabon 18 Oct. 1528.

LXI

en terug; Loaysa-Elcano-Urdaneta uit La Coruna op 24 Juli 1525, maar gesmoord door de Portugeczen in de Molukken en te CocJiin na 1532, toen men in geheel Port.-Indiè wist dat het Verdrag op 20 Juni 1530 te Lissabon was geratificeerd, dat ging de groote overzeesche kolo7iie „Nieuw Spanje" , dat wil zeggen Mexico, hriitaalweg op gezag van den daar sinds 1535 regeerenden Onderkoning doen: het Traktaat rechtstreeks schenden door de vaart op de Filippijnen te hernemen, en daarmede op de Molukken tevens. In 1532 het eerst met 2 schepen ander Grijalva; in 1542 op}iieuw met 6 schepen cmder Villalobos, die ter eere van den zoon van Karel V, den kroonprins Filips {in Jan. 1556 verheven tot Koning Filips II), de „eilandgroep van St. Laza- rus" (zooals Magalhdes ze op 16 Maart 1521 had benaamd bij het eerste aandoen van de eilandjes bezuiden Samar; zie toch Albo, l.c.p. 220), herdoopte inFelipinas {midden 1543); maar dan in 1564 ten derden male, en nu definitief, met 4 schepen onder de beide Bas- ken Legazpi en Urdaneta {denzelfden van 1525, die, pas in I53y terug, rapport aan Karel V had uitgebracht; daarna dit nieuwe plan voor Filips II had mogen maken, en den admiraal aanwijzen, vermits hij zelf op 20 Maart 1553 te Mexico Augustijner-jnonnik was geworden). Géén van die uit Mexico naar „de eilanden van het Westen" uit- gezeilde 2 -\- 6 -{- 4 Spaansche schepen kon ook maar veinzen niet te weten, dat zij vrijbuiters waren, voluit schenders van het Zaragoza- traktaat. Want hoe gebrekkig in de 16^ eeuw de techniek ook nog was van het lengte-bepalen, vooral op zee, zóó onnoozel waren de belang- hebbenden, èn Spanjaarden èn Portugeezen, niet, om niet scherp te weten dat alle land bewesten de Ladronen, dus ook de totale Filippij- 7ien, sinds 1530 binnen Portugal' s koloniaal territoor lag. Had Ma- galhaes niet zeven volle dagen bij eenenWest-ten-Zuiden koers {„al oeste cuarta del sudueste", Albo, l.c.p. 2ig 220) noodig gehad om van Guam te komen naar „S ui u a n", het uiterste eilandje be-Z.0. Samar? Hadden Legazpi en Urdaneta niet desgelijks tien dagen {3 13 Febr. '65) noodig gehad van Guam naar de groote baai op Z.0. Samar {de M atarinao-baai) ? Werd Legazpi niet aan den lijve iti najaar 1568 gewaar dat hij vrijbuitte op andermans terrein, toen een Port. vloot onder Gongalo Pereira Marramaque hem kwam insluiten bij de hoofdplaats Cebü, waar Legazpi zich sedert Mei '65 was komen vestigen en een fort je was gaan bouwen? Alleen het niet doorzetten der Portugeezen is toen schuld geweest dat Legazpi' s inval voortgang had, dat op ig Mei i^yi de inlandsche stad Manila op Luzón door hem werd veroverd op de Tagalen, en op 24 Juni d.a.v. verheven tot hoofd-

LXII

plaats van het nieuwe, ten eenenmale onrechtmatig verkregen, Spaansch- koloniale gebied der Filippijnen.

Nooit had dit kunnen beklijven indien Portugal op zijn rechten had gestaan, en eenvoudig scherp herinnerd had aan den Meridiaan der zuidelijke Ladronen, vastgesteld sedert 15JO als grenslijn. Maar het verval van Port.-Indië sinds den dood te Goa van G.-G. Dom Jocio de Gastro (f 6 Juni 1548); het verval van Portugal-zelf na den dood vanKoningJohan III (f 11 Juni ' ^y) welke het Zaragoza-traktaat had gesloten; de toen gevolgde hollende vaart omlaag met het op den troon komen van zijn kleinzoontje Dom Sebastiao als driejarig kind, onder voogdij van diens grootmoeder Dona Catharina, tante van den in Jan. ^556 op den Spaanschen troon gekomen Filips II, en pas zelve van 20 Jan. '68 af zoogenaamd „regeerend" als kwajongen van precies 14 jaar, zich al meer en meer ontwikkelend tot een dwazen fantast, een soort dolend ridder; dit alles sloot uit, dat de kwansuis door Mexico uitgezonden doch inderdaad door Spa?ije aangestookte vaarten om de West voorbij de Ladronen gestuit nog konden worden. En toen dan de groote katastrofe voor Portugal kwam op 4 Aug. 1578, waarbij Ko- ning Sebastiaan sneuvelde in Marokko te Ksar el-Kebir {„Alcacer- Quibir") op zijn „kruistocht" tegen de „Mooren", en het bleek dat de roekelooze in zijn testament dd. Lissabon 13 Juni had vastgesteld hoe wegens ontstentenis van eenig wettig oir de Kroon van Por- tugal zou overgaan op zijn neef, den Koning van Kastilië, toen duurde 't maar twee jaar van beroering, waarin een oudoom-Kardinaal, vroeger toeziende voogd van den gesneuvelde. Koning was en weldra stierf {D. Henrique I, j 30 Jan. '80), of de pretendent uit Kastilië, Filips II, liet op ly Jidi zijn veldheer Alba oprukken tegen den op 24 Juni door de Portugeezen nieuw gekozen Vorst (een bastaard, Dom Antonio), welke dd. 25 Aug. door Alba bij Alcdntara verslagen werd. Zoo kwam een maand na het sterven van Camoes {10 Juni) ! de personeele unie. van Spanje met Portugal tot stand, die 60 lange jaren zou duren {ly Juli 1580 j Dec. 1640).

Voor den kartograaf Bertholameu Laso, zooals hij in i^go zijn naam schreef, Portugees van geboorte, Iberiër en onderdaan van Filips II van staat, bestond schijnbaar dus niets meer dat leek op eeii koloniale grenskwestie. Maar van eene „vervloeiing der grenzen" was voor Iberië na 1580 buiten Portugal geen sprake geweest, in Portugal nauwelijks. Het was en bleef een personeele unie, zooals de Nederlan- den tijdens Napoleon, Finland onder Rusland; die in de Port. kolo-

Facsimile 6- Blz. lxii.

ACHTERZIJDE VAN BaRT. La^o's BEGINBLAD.

V'j//""

-!^-^

EsTE UȆ.O DtCOSMOCIVlPfiM DeNAVEgVAki FtZ ^

#" " -r

OF.RTHOl AMEV- L.ASO A r^NO De I S O O ^ LnLTX'

I.

=-sr

\

x^^"iP

X

1^..

/,)

Voor de beschrijving zie biz. 424-420.

LXIII

niên ten strengste werd gehandhaafd door den Spaanschen Koning zelf, evenzeer in Afrika als in Azië en in Zuid- Amerika [Brazilië). Amalgamatie had nergens plaats, noch in gebied noch in bestuurders. Zelfs ee^i vreemdling-landsbestuurder in den trant van onzen Koning Lodewijk Napoleon, is er in die 60 jaren van overheersching nooit in Portugal geweest; annexatie op koloniaal gebied bleef uit. Brazilië bleef Portugeesch, zoo goed als de door de Porticgeezen „verzuimde" Filippij7ien Spaansch bleven. De kapers op de kust zouden derden, zouden vreemden zijn: de Hollanders; evenals deEngelschen in onzen Franschen tijd {de Kaap, Voor-Indië, de West, de Oost); tertii gau- dentes. Eerst toeji de Portugeezen door de Hollanders uit de Moluk- ken verdreven waren, begon hier Spanje, van de Filippijnen uit, ge- durende iets meer dan een halve eeuw {1606 1663) zich vast te klem- men, aan Tidore vooral; maar met bitter weinig blijvend profijt.

Kalmweg zet Lago op zijn kaarten overal daar het Spaansche of het Portugeesche Kaningswapen, waar ze sinds bijna een eeuw gestaan hadden, of behoorden te staan, als deviezen van koloniale opperhoog- heid. In Spanje-zelf {„Espanha") begint hij op Wieder' s blad 4 met het Spaansche wapen {het kasteel van Kastiliè tweemaal, in kruis met de zuilen van Hercides tweemaal); in Portngal-zelf staat niets, zelfs niet de landsnaam; dat wordt overgelaten aan de verbeelding. In Zuid- en Midden- Amerika {Wieder j) staat ook doorloopend dat Spaansche wapen {waarbij helaas het aansluitend blad van Zuid- Amerika, van 13° Z.Br. benedenwaarts, ontbreekt): in Peru, in Co- lumbiê {zcmder landsnaam), in Mexico {alleen de zuilen van Hercules in 't wapen), in Florida {dito) i); maar dan op het aansluitend blad «° 2 het Portugeesche wapen {de quinas, 5 schildjes elk met 5 besant's in een kruis geschikt) in Noord- Amerika, ongeveer in Nieuw-Schot- land en Nieuw- Br unswijk van thans, het „Kabeljauw" -land {„de Bacalhaos") tot de geweldige „rivier Canada" {rio Canada) toe, otit- dekt in 1501 door Gaspar Corte Real, den Portugees der Azoren, op diens derde reis. Op 't reeds genoemde blad 4 gaat het dan be- zuiden Iberië en de even aangegeven Straat Gibraltar dóór met West- Afrika tot het begin der bocht van Guinee, met het Port. wapen in 't land op de hoogte der Kaapverdische eilanden, en ter overzijde van

i) Dit is het blad dat door BlAzquez werd gereproduceerd op halve grootte bij zijn artikel „Noticia de un Atlas del siglo XVI, manuscrito y desconocido" in het Boletin de la Real Sociedad GeogrAfica, dl. LVII, Madrid 1915, p. 369 374; waarop Dr. Wieder vriendelijk ons opmerkzaam maakte. Overigens gebruikten wij de prachtige foto's op volle grootte, 32 x 50 cM., welke laatstgenoemde in 1916 aan het Kon. Ned. Aardr. Ge- nootschap ten geschenke heeft gedaan (zie T. N. A. G. 2, XXXIII, 191G, p. 934).

LXIV

den Znidatlaniischen oceaan met denN.O.-hoek van „Brasil" tot de Ahrolhos hij i8° Z.Br., alweder gekenmerkt door het Port. wapen in het binnenland. Het heele blad van Westelijk Midden- en Zuidafrika {bocht van Guinee tot Angra Pequena) ontbreekt helaas weer, evenals gansch Zuidamerika. Maar het dan volgend blad Zuidoost- Afrika 7net Madagascar {Wieder 5) heeft twee diverse Port. wapens zelfs, één het eigen ontdekki7igsembleem van Koning Manuel {de „esphera" of wereldhol) in Zuid- Afrika, en de oud-dynastieke „quinas" in Mo- gamhique's binfienland. Het volgend blad, Roode zee en Perzische golf {Wieder 6), toont niet minder dan 4 wapens: de Port. quinas èn in Midden- Egypte bij Soeakin, èn in Zuid-P er zie bij Hormus; voorts een fantasie-wapen metGrieksch kruis in Abessynië {„Preste JohaÖ"); en een dito met halve ynaan en groote planeet in Arabië. Volgt het blad met Voor- en Achter-Indië, den Maleischen archipel en de Filip- pijnen, tot een deel van Zuid-China toe {Wieder* s y), met maar op twee plekken het Port. quinas-wapen, n.l. bij Bombay en in Siam, maar nergens in Indonesië; noch eenig Spaansch wapen in de Fi- lippijnen/ Ten slotte een curieus blad met Nieuw-Guinee {„Nveha Gvinee") als centrum, de Salomon- eilanden {Yslas de Salamon) ten Oosten daarvan, de Ladronen {„Restingua de los ladrones", d.i. Rif der L.) in het Noorden, den Vogelkop van N. -Guinee in 't Westen met verwarrend bijschrift „porto canam" {lees: porto Ceiram, d. i. Ceram-haven), en zoowaar . . . West van dien Vogelkop een repe- titie van de Groote Oost, met de Mol ukken, Ambon, Banda, en Alor {„terra alta") cum suis; maar hier spreekt het Oosteinde vanN.- Guinee krachtig door het Spaansche wapen {Wieder 8).

Zóó durfde een Portugees te Lissabofi in 1590, Spaansch onder- daan, vakman-kosmograaf en vakman-kaartenmaker, spelen met grenzen tusschen Spaansch en Portugeesch gebied, verdoezelend, ver- zwijgend, grens-verleggend, stil annexeerend, al naar hem lustte !

De heele meridiaan der Ladronen van 1529 is niet te vinden; in Brazilië wordt bewust geknoeid op blad 4, waar de meridiaan van Corvo en Flores {ca. 31^/3 W.L. Gr. van thans; „o coruo" en „as froles") door het land heenloopt op de lengte ongeveer van Bahia, in plaats van door de zee te loopen, iets Oost nog van het eilandje Fer- nando Noronha; aansluiting tusschen blad 3 en 4 is er niet, want de kustlijn van blad 3 eindigt voor Zuid- Amerika een graad of 5 be-0. de golf van Maracaibo, met in zee resp. „aruba", „quracao" en „ho- naire", en ruim 10° boven de linie, terwijl blad 4 pas in 'tWesten be- gint een paar graad beneden de linie, ongeveer bij Sao Luiz van thans;

Blz. Lxiv.

Kaart XI. 1590. Ind. Archipel, O. helft.

Berthül. Lago.

Hl •* ' A-C* J-'^'-l

Voor de bcbchrijviiii; zie blz. 405-407,

LXV

hier is dus een gaping tusschen heide kaarten van ca. 20° Noorder- kustlijn, n.l. de drie Guyana' s met grensland links en rechts. Wordt hier aldus maar brutaalweg een heel gebied van essentieel-Spaatisch gebied overgeslageii over verder Zuid- Amerika kunnen we niet oordeelen, omdat helaas dat blad ontbreekt —, in Oost- Azië wordt op blad 2 en 8 even brutaal gewerkt met zoogenaamde „overlappen", die der misleiding nabij zijn. Meii bekijke nu toch onze Kaartjes XI en XII, gereproduceerd naar de7i rechter-benedenhoek van blad 7 en de linkerhelft van blad 8, resp. op vijf zesde en op halve grootte; op beide valt het eerst de grillige vorm van „gilolo", alias Halmaher a, in 't oog, middenin doorsneden door de evennachtslijn.

Was bij het teekenen van den overlap op Kaartje XII alleen zorge- loosheid aan het woord, zoodat het heele eiland Timor en de Noord- oostkust van Celebes wegvielen, terwijl het eiland Boeroe („burro") er nog duidelijk opstaat, en alleen de naam van Alor („terra alta") wat te veel naar het Oosten is verlegd, gelijk blijkt uit Kaartje XI? Maar waarom dan die zware meridiaanlijn met breedtegraad-ver- deeling tusschen 20° N.Br. en 20° Z.Br. op gezegd blad 8 {XII), die ver in 't Westen pas staat op blad 7 {XI) ? Indien zij hier óók rechts voorkwam, had zij ten Westen van Alor moeten loopen, voorts be- nedenwaarts langs den Westhoek van Timor, en Noordop door het oosterdeel van Celebes, èn . . . midden door de Filippijnen ! Wat voor houvast, wat voor leiding geeft dus die zware meridiaanband op blad 8 {XII)? Onzes inziens enkel: misleiding; opzettelijke bijstermaking va7i den gebruiker dezer kaarten. Op blad 7 {XI) werd de sterke mee- ning gewekt, of daar alle land onder Portugal behoorde, met de Filip- pijnen incluis; op blad 8 {XII) werd een zware meridiaan getrokken, die aardig wel overeenkwam met de oude Spaansche pretetisies vóór 1530, en schijnbaar met volle recht het grootste deel der Filippijnen proclameerde tot legitiem Spaansch bezit ^).

i) Geheel rechts op blad 3 staat zoo'n zware meridiaan met graadverdeeling getrokken even Oost van Bonaire, zeg op 68° W.L. Gr.; geheel links op blad 4 een dito op ca. 48° W.L.; op blad 6 geheel rechts een dito op ca. 67° O.L.; op blad 7 geheel links een dito op ca. 56° O.L., dat is dus met een overlap van ruim 10° in Beloechistan en Zuidoost- Perzië. Ook op blad 5 en blad 2 staat een dito zware meridiaan geheel rechts, beide in zee, resp. van N.Br. tot 36° Z.Br., en van 27° 66° X.Br. Op laatstgenoemd blad 2 staat nog als curiosum dwars naast Labrador-Terra Nova (alias Newfoundland)-KabeIjauwland een ietwat uitgerekte maatstaf van 42° 59° N.Br. onder een hoek van ca. 25 graden; een curiosum dat juist zoo in deze zelfde streek zich vertoont op de kaart van Pedro Reinel teMiinchen uit ca. 1505 (zie het facsimile bij p. 74 in H. Harrisse, Découverte et évo- lution cartographique de Terre-Neuve, London Paris 1900), en wel een kartografisch hulpmiddel is om de buiging van het kaartbeeld naar de Noordpool toe te doen gevoelen. Doch het allercurie uste op Labo's blad 2 is wel, dat hij midden in zijn eiland Terra Nova

V

LXVI

Kortom: blad 7 van Lago is volop Portugeesch van strekking, zelfs hrutaal-amiexionistisch; blad 8 is valsch-knoeierig geheel Spaansch, oud-Spaansch van opvatting, waarbij het gegoochel met een breeden overlap schijn van ivaarheid moest verschaffen. Met ostentatie werd hier Nieuw-Guinee in zijn Oostelijke helft door de versiering met het Spaansche wapen tot echt-Spaansch aangedikt; een waarheid als een koe, zoowel wat ontdekkings-geschiedenis als geographische ligging betreft ^); maar een echte doode musch, een stukje kinderspeelgoed, voor een machtig rijk als Spanje in i^go.

Moge dus het oordeel over Lago, als een der kaartenmaker-hekslui- ters van de Portugeesch-Spaansche cartographische school der i6e eeuw, gemengd blijven, bewondering kunnen we slechts hebben voor dat deel van zijn werk dat uit echt-Spaansche bron kwam: d e k a ar t e er in g der Filippijnen in i ^ g o.

Wie is hier de kartograaf geweest, die, steunend op opnemingen van enkel Spanjaarden, zóó voortreffelijk de groote hoofdlijnen kon gevefi van dit ingewikkelde eilanden-complex? Wie heeft zóó den enor- men sprong kunnen doen van de nog kinderachtige beginselen eener Filippijnen-schets uit 1580 op het laatst-bekende kaartwerk van Fer- nao Vaz Dourado te Goa {men zie maar eens Plaat IV, i, in P. Teleki's Atlas zur Geschichte der Kartographie der Japanischen Insein; Budapesi-Leipzig, igog), waarbij men het dwaze jaartal „i^6o{?)" eerst verbetere in 1380 ^), naar Lago in isgo? Zou Lago hier zelf de eerste zijn geweest?

Neen, kunnen wij met beslistheid antwoorden; dank zij een andere

een familiewapen zet, dat niets anders is als het vereenvoudigd wapen der Corte-Real's een soort ribbe of schenkelbeen van zilver op een veld van keel , zooals er zes voor- komen in het volle wapen dier familie; men zie toch de plaat vóóraan in H. Harrisse, Les Corte-Real et leurs voyages au Nouveau-Monde, Paris 1883. Zoozeer wilde dus La^o het ontdekkingsrecht van Newfoundland voor Gaspar Corte Real in 1501 accentueeren.

1) Men zie voor het eerste slechts Dr. A.WicHMANN,EntdeckungsgeschichtevonNeu- Guinea (bis 1828), Leiden 1909, p. 18 32. Geographisch valt de meridiaan van Guam („Isla de las Velas" in 1529) op ongeveer 144° O.L. Gr., dus een graad of drie beO. de tegenwoordige grens van Ned. Nieuw-Guinee.

2) De Münchener Atlas met 12 kaarten is ten duidelijkste gesigneerd en gedateerd: „Este liuro fez Femao Uaz Dourado fromteiro [= grenscommandant] nestas partes da India ... O anno de 1580 annos". Zie de in 't achterschrift onzer Kaart III genoemde studie van Schmeller, Miinchcn 1844, p. 259; en Fr. Kunstmann, Die Entdeckung Amerikas, München 1859, p. 146 (zijnde de 4°- tekst, behoorende bij een folio- Atlas met reproducties). Het opvatten van „fronteiro" als een 17-eeuwsche term voor „cosmogra- pho",is modem misverstand van den Port. bibliograaf Innocencio Francisco da Silva in zijn bekend serie-werk, Diccionario bibliogr. port. II (1859), p. 291.

Blz. LXVl.

Kaart Xll. 1590. Nivuw-GuiNKF. ; met dk Molukken nogmaals. Berth. Lago.

éQjijy^ ^

"1

\'oor de beschrijving z\c bl/.. 40.S-411.

LX VII

kaart in denzelfden Atlas van Teleki. Ook al is de groote historische heteekenis van die andere kaart hemzelf ontgaan.

Henry Harrisse, de vruchtbare Fransch-Amerikaansche geleerde en schrijver op historisch-kartografisch en ontdekkings-gebied {Pa- rijs i82g igio), had toch in zijn werk van 1883 „Jean et Sébastien Cabot; leur origine et leurs voyages" {Paris; p. 238 23g) mel- ding gemaakt van een fraaie wereldkaart in het Dépöt de la Ma- rine te Parijs {Portefeuille i, 4), door hem beschreven als „un su- perbe planisphère sur parchemin de i"\8o X i*",io, richement en- luminé d'un tres beau travail portugais", maar „malheureusement ni signée ni datée" ; welke Harrisse, wegeiis eenige bizonderheden op het gedeelte va?i Newfoundland-Labrador en aangrenzende gebieden, op welke dit zijn boek over de Cabot' s zich geheel specialiseert, door een conjectuur heeft trachten te dateeren als: „Circa 1553" .

Helaas, mag men wel zeggen ! Want het groote gezag van Harrisse, en het feit dat hij zijn conjectuur had gebaseerd op een klein cniderdeel van het groote geheel, is oorzaak geweest dat zijn sterk-onjuist vermoe- de?i omtrent den ouderdom bijna 25 jaren kon blijven leven, vóór te worden omvergestooten door gegevens op een gansch ander deel dezer wereldkaart, welke ten duidelijkste bewezen dat zij heel wat jonger was. Dr. Sophus RuGE, toch waarlijk niet de eerste de beste, maar de ver- dere kaart niet kennende, nam het „circa 1553" als,, etwa 1553" ten jare i8g2 over in zijn f eestgeschrift „Die Entwicklung der Kartogra- phie von Amerika bis i^yo" {Petermanns Mitteilungen, Erganzungs- heft 106, p. y^). NoRDENSKiöLD in zijn terecht befaamd verzamel- werk „Periplus" van i8gy, fol. i^gb, nam onder 103 het gegeven van Harrisse onhertoetst over, zelfs diens voorzichtige „circa" weg- latend, zoodat we nu al kwamen tot een, schijnbaar vaststaand, jaartal 1553. Teleki eerst, in zijn daareven genoemden Atlas van igog, en omdat er een primitieve voorstelling van Japan op de Parijsche kaart staat, heeft ons deze kaart-zelf voor oogen gebracht wat Japan betreft, mitsgaders de aansluitende landen van Zuidoost- Azië en Indonesië tot even onder de linie, op zijn Plaat 111,2; met het onderschrift „Ano- nyme portugiesische Seekarte a.d. J. I553.{?) Paris, Archives de la Marine" , en een bijbehoorenden tekst op fol. 23 25.

Teleki durfde blijkbaar nog niet het dwaze jaartal vierkant over- boord werpen, geïmponeerd door de trits Harrisse-Nordenskiöld-Rttge zooals hij in noot 3 op fol. 23 ze, chronologisch onzuiver, opnoemt. Maar, behalve zijn ,J 553 ■{■'')" onder de reproductie die speciaal voor hem, en voor de éérste maal, te Parijs gemaakt was geworden;

Lx vil 1

zie zijn mededeeling op jol. VIII,b spreekt hij in zijn tekst reeds aldus: „Wenn diese Zahl auch nur annalicrnd richtig ist, so Iiaben wir hier etc." {jol. 2ja), gaat dan op jqI. 24 spreken over de jrap- pante herinnering die zij wekt aan het werk der van Langren's uit ^595' gekristallizeerd in Kaart 4 hij jol. 22 inLinschoten's Itinerario (i^gó); en sluit dan op jol. 2^a, na een vergelijkende lijst te hebben ge- geven der Japansche plaatsnamen op de anonieme Port. kaart te Pa- rijs {kwansuis van „1553?"), ^^ kaart van Vaz Dourado te München {van 1580; niet „1560?"), en die van Langren {1595; bij Linschoten), aldus: „Welche der portugiesischen Karten alter ist, will ich nicht entscheiden, doch ist zum Beispiel die Darstellung der Molukken und Philippinen auj der durch Nordenskiöld, Harrisse und Ruge i) 1553. datierten anonymen Karte i&eit vorgeschrittener als z. B. bei Dourado und in dieser Beziehung steht die anonyme Karte der Langrenschen viel naher."

Zoo waggelde dan eindelijk in igog door Teleki de vluchtige con- jectuur van Harrisse uit 1883. En twee jaar later gaj de Zweedsche Indianist en kartograaj E. W. Dahlgren haar den genadestoot, toen hij in zijn studie „Les débuts de la cartographie du Japon" {Archives d' Études Orientales, IV, 4; Upsala, igii, p. i 65) de lijn durjde doortrekken, die Teleki niet meer dan gestippeld had: de anonieme Port. kaart te Parijs k a n, wegens haar voortrejjelijke moderne voorstelling van de Filippijne^i, in géén geval jonger zij n dan 1566; toen Urdaneta, na zijn tocht met Legazpi in '64 daar- heen, alleen terugkeerde naar Mexico, hier aankwam in begin Oct. '65, doorging naar Spanje om aan Filips II rapport te doen, en, terug weer te Mexico, in het Augustijner-klooster der hoojdstad op 3 Juni 1568 overleed. Was dus de mogelijke terminus a quo het jaartal 1566, Dahlgren vermoedde dat die Parijsche kaart nog belangrijk jonger was, jonger zeljs dan Vaz Dourado' s Atlas te München uit 1580 2).

Inderdaad, nu wij óók Lago's voorstelling van de Filippijnen uit iSgo kennen, welke aan Dahlgren verborgen bleej, en de reproductie op onze Kaart XIII hier kunnen vergelijken met de beide reproduc-

1) Lees ten rechte, in ware tijdsorde: Harrisse, Ruge und Nordenskiöld.

2) „Des deux cartes reproduitcs par Teleki et dont il se refuse i fixer définitivement les dates et l'ordre chronologique, celle qu'il attribue i 1560 [lees dus: uit 1580] est évi- deniment plus ancienne que celle qu'il supposc être de 1553. Cette dernière ne peut pas être antérieure è 1566, moment la première nouvelle de l'expédition de Legazpi aux Philippines arriva en Europe, et probablement elle est raêmè sensiblement moins ancien- ne, car elle montre une connaissance des parties septentrionales de l'ile de Luzon qu'on n'acquit que dans les années suivantes, au fur et è mesure de la prise de possession de l'ile par les Espagnols". (1. e. p. 43).

LXIX

ties in Tcleki, waarbij de volstrekte overeenkomst in het kaartheeld dezer eilandengroep op de Parijsche kaart en hij Lago opvalt, kunnen wij de volgende chronologische orde der 8 kaarteer ingen vaststellen:

1568. Vaz Dourado, Madrid, hutze-Alba. Oudste atlas van hem, waarin o.a. de oudste voorstelling van Japaft op blad 8 der 14 ^). Oost-Indië verkleind in Nuevos autógrafos de Cristóbal Colön, Madrid igo2, p. 124.

1573. Lazaro Luis, Lissabon, Bibliotheek der Akad. van Wetetischappen. Blad 6 der 8; ongepubliceerd ^).

1580. Vaz Dourado, Münche^t, Akad. v. Wet. Jongste atlas van hem. Voor Achter- Azië, zie Teleki, l.c. PlaatIV,i.

158.? Anoniem, Parijs, Archives de la Marine. Voor Ach- ter-Azië, zie Teleki, Plaat III, 2. Het proto- type van de goede kaarteering. ( Vrage: Misschien van Domingos Teixeira, van wien een planisfeer uit i$73 te Parijs is in die Archives; verg. zijn Oost- Azië verkleind hij Dahlgren, igii, p. 28). ')

iSgo. LA90. Zie onze Kaart XIII, met achter schrift.

I5g2. Plancius, Sevilla, Aartsbisschoppelijk Seminarie. Blad 12 der 18, nog ongepubliceerd. Zie het schema door Dr. F. C. Wieder {die de kaart in voorjaar igi4 terug- vond) in Tijdschr. Aardr. Gen. igi5, p. 302. De gra- veurs waren vader en zoon van Dotecom (Duetechem).

1) Zie de beschrijving van dezen Atlas in den in 1898 te Madrid verschenen „Catalogo de las colecciones expuestas en las vi trinas del Palacio de Liria. Lo publica la Duquesa de Berwick y de Alba, Condesa de Siniela"; en de korte vergelijking van dit Madridsche exemplaar met twee Lissabonsche Atlassen van denzelfden uit 1571 inden „Catalogo" der „Exposiijaoetc.", in de volgende noot nader vermeld, 1904, p. n 27. Het ex. -Alba heeft op Kaart 14 een naschrift uit 1569; aan dezen Atlas ontleende Dr. Nachod zijn kaartje van Japan in zijn studie „Die alteste abendlandische Manuskript-Spczi alkarte ven Japan von Fernao Vaz Dourado 1568", Roma 1915. Uit alles blijkt, dat de G.-G. Dom Luiz DE Atayde tijdens de 2 malen zijner rcgecring (10 Sept. 1568 6 Sept. 1571; en 31 Aug. 1578 t Goa 10 Maart 1581) de groote /autor is geweest van Vaz Dourado, en hem onzes inziens naar Indië heeft medegenomen als vakman bij zijn eerste uitreis. Men zal tot toetsing van dit vermoeden met name dienen te zoeken in het zeldzame, ons on- bereikbaar gebleven, boekwerk van A. Pinto Pereira, Historia da Icdia, no tempo em qucagovernouo visorey Dom Luis d'Ataidc, Coimbra 1616 (ook wel 161 7).

2) Zie de nadere beschrijving van dezen Atlas in den Catalogus der ExposigaodcCarto- graphia Nacional (1903 1904), Lisboa 1904, p. 4 7. Uit het slot van 't bijschrift op blad 5a, volgt, dat L. Luis zelve piloot was geweest, die „herhaaldelijk" (muitas vczcs) over gewaande „Amber-eilandcn" in den Ind.-Oceaan was hcengezeild, die hij nooit had vermogen te zien (l.c.p. 5). Dit gegeven kan men nog niet vinden in het sober artikeltje over hem bij Sousa Viterbo, o.c. I (1898), p. 196.

3) Overigens is niets tot nog toe van dezen Domingos r^t^fiVa bekend. Was hij soms de vader of oudere broer van Luiz T. ? Sousa Vit'.rbo (I-II; 1898, 1900) kent hem niet.

LXX

J59JJ. CoRN. DE JoDE {Comelius dcjudaeis). In den Wereld- atlas van zijn vader Gerard (f I5gi) en hem. Voor Achter- Azië, zie Teleki, Plaat IV, 2; enfol. J2 33. ^595- Gebroeders van Langren. Zie Linschoten's Itinerario {1596), kaart bij jol. 22. Dat de anonieme Parijsche kaart ouder is dan die van Lago, blijkt uit het veel geringer aantal namen bij de overigens analoge grens- lijnen der diverse eilanden; daar de kaart een donkergroen fond heeft, 10 aar op de namen in rood en zwart zijn ingeschreven [Teleki, fol. 24b), mist de fotografische reproductie vanzelf goede leesbaarheid. Wie haar gemaakt heeft in Portugal, blijkt uit niets. Men kan denken aan Lh^o-zelven; of ook aan Luiz Teixeira, die in hetzelfde jaar 1564 als Lago zijn examen deed voor kartograaf, en door dezelfde twee des- kundigen werd ondervraagd {Dr. Pedro Nunes, en Jorge Reynel). Maar mxn kan ook denken aan den piloot Lazaro Luis, van wien we haast niets persoonlijks weten, en alleen den fraaien Atlas van ^573 ^^^ ^ög' ^^^ kennen; of aan den anoniemen vervaardiger der 20 kaarten uit het kostbaar hs. in den huize-Palmella te Lissabon, die geheel ten onrechte in verband worden gebracht met den piloot Joao DE Lisboa (f 1533), doch welke een 40-tal jaren jonger moeten zijn'^). Zooveel staat onomstootelijk vast: het moderne kaartbeeld der Fi- lippijnen, nadat Manila door Legazpi in i^yi als hoofdstad der Spanjaarden was gesticht, is ontstaan uit Spaansche detail-opnemin- gen, tusschen 1566 en ca. 1580, van personen wier namen tot heden onbekend zijn ^); is te goeder ure, na de annexatie van Portugal door Spanje in Aug. 1580, door Portugeesche ervaren handen ontworpen op grond van die officieel hun daarna ontsloten Spaansche gegevens; is tusschen 1380 en i^go gekristallizeerd in de zeer goede eerste{?)

1) Vcx>r Luiz Teixeira, zie, behalve Sousa Viterbo o.c. I (1898), p. 295 298, de ge- gevens in De Jonge's Opkomst, I (1862), p. 178 180; en de opmerkingen over een kaart van Japan, in begin 1592 door hem toegezonden aan Orteüus, en door dezen in '95 ge- publiceerd (Theatrum orbis terrai'um . . . nunc dcnuo ab ipso auctorc reeognitum, Antv. 1595), bij Dahlgren, o.c. 191 1, p. 57, 60. Voov Lazaro Luis zie noot 2 op vorige blz.

Voor de twee, met elkanderver warde Jodo's de Lisboa (de oudere t 1525 ; de jongere 1 1533), en hun beider geschriften van resp. 15 14, en 1527, zie, behalve Sousa Viterbo I, p. 187 190, de uitgave in 1903 van beider arbeid door J. I. de BritoRebello („Livro deMarinharia"); en opp. LXII LXIV der Inleiding aldaar de beschrijving van den anoniemen Atlas in het hs.-Palmella, die uit ca. 1570 schijnt te zijn, maar overigens nog een volkomen raadsel is.

2) Niet de minste opheldering in dezen geeft de „Relacion descriptiva de los mapas, planos, etc. de Filipinas, existentes en el Archivo General de Indias," door P. Torres Lanzas (Madrid 1897). Na 4 schetsen uit 1565, en een Chin. kaart uit Manila verzonden in 1574, valt men daar dadelijk op een kaart van Luzón en Formosa uit I597. en dan op twee plattegronden van Cavite uit . . . 1663! Dit is meer dan armoedig.

Kaart XIII. 1 590.

Df. Fimppitnen.

Blz. Lxx. Berthul. La^o.

^gv'/^-e-^ ' ' ^/i!

X^X N ■:

-^^

1^^ . -^f.:'^ ■, F I L i p r NAS.

Voor 'k' t)Cbchrij\ iiitj zie bladz 412-414.

LXXI

schets van den anonymus der kaart te Parijs; heeft in i^go zijn af- sluiting gekregen in de nu in onze Kaart XIII voor het eerst gepubli- ceerde voorstelling van Bertholameu Lago {of Laso); is onder de revi- sie {en vermoedelijk aanvulling) gekomen van Ds. Pla^wius, wiens te Valencia geredde arbeid ons binnenkort zal onthuld worden door de bij de firma Mart. Nijhoff te verschijnen Monumenta Cartografhica van Dr. Wieder; en is, via de beide Van Langren's in i^gs welke nog andere detailkaarten ter beschikking moeten hebben gehad voor wat meer namen —, door de uitgaaf van Linschoten in i^gó de stan- daard-kaart aldus geworden voor Europa gedurende bijna ander- halve eeuw ^).

IV. (C o r t V e r h a e 1 van Franck van der Does; September 1597).

Eindelijk een persoonsnaam, en een vrij wel bekende figuur, onder de schrijvers van de in dit Tweede Deel vereenigde Journalen van den eersten Oostindiê-tocht der Nederlanders; geen anonymus meer. Zelfs een figuur, die heel wat nader bekend is dan de Willem Lodewycksz van ons Eerste Deel.

Franck van der Does behoorde tot het uitgebreide oude geslacht van dien naam uit de buurt van Leiden, over welke de genist Chr. J. PoLVLiET in iSgs de eerste genealogie heeft gepubliceerd in dl. V van het Jaarboek van den Ned. Adel {p. 25— 118); en welks diverse leden van ca. 1320 af thans nader behandeld zijn in het sinds kort verschenen VP Deel van het Nieuiv Nederlandsch Biografisch Woordenboek ig24, kolom 408 445; grootendeels door den Heer W. M. C. Regt, ten deele {voor zooveel Janus Dousa oftewel Jhr. Johan van der Does, den bef aamden Leidenaar, en diens oudsten zoon betreft) door Prof. Dr. P. J. Blok.

i) Men zie maar eens de volstrekt oudcrwetsche kaart bij Valentijn, I, i (1724), fol. 148I Een totaal ander en modem beeld van de Noord-Filippijnen, met de juiste grens- lijnen van het zoo grillige eiland Luzón, gaf voor het eerst R. Walter in „A voyago round the world, in 1740 4, by George Anson", London 1748, p. 236, zijnde ontleend aan een Spaansche kaart. Walter zegt er zelf van: „the annexed draught of the Island of Luconia, and of its neighbouring isles, which was taken from the enemy [op 20 Juni 1743 had Anson's admiraalschip het Spaansche galjoen uit Acapulco vlak voor Samar ver- overd, en ook diverse kaarten buitgemaakt; p. 385], and had bccnncwly drawn and corrected but a short time before"(p. 237). Van een dergelijke zeer goede Sp. kaart, in ca. 1740 geteekend, is in het Indisch Archief te Sevilla weer geen spoor te vinden !

In 1752 komt dan de nieuw^ overzicht-kaart van den Franschenkartograafo'ANViLLE, Seconde partie de la carte d'Asie, Zuidelijk blad, met een zeer bevredigende voorstelling van du Filippijnen, samen met een meer ouderwetscb kaartbeeld van Indonesië.

LXXII

De grootvader van Franck, Simon, hoewel Zuidhollander geboren, was ruim tien jaar te Harlingen als convooi- en accijnsmeester voor Friesland werkzaam geweest in dienst van Karel V {vóór 1538 na 1550), en had daar 9 van de 12 kinderen uit zijn eerste huwelijk ge- kregen, waaronder Franck' s vader {Sem of Simon, geb. 21 Juli '46), en Franck's oom, Willem {geb. 6 Sept. '^7). Als kinderen waren zij met hun vader in 1551 of '52 verhuisd naar 's-Gravenhage, waar deze in '54 schepen werd en lange jaren dat bleef, schout was in '64 '65, burgemeester zelfs in 'y8 '80, en in i^8y er overleed. De eigen vader van Franck schijnt geen of weinig carrière te hebben gemaakt, want alleen bleven drie huwelijken van hem bekend, geene functies of jaar van overlijden; welgesteld moet hij echter geweest zijn, want zijn beide oudste zoons gingen studeeren. Des te meer, en een zeer bekende car- rière, maakte Franck's oom, Willem, die te Amsterdam zich vestigde, ontvanger der convooien en licenten er werd {tot 1584), en daarop Hoofdschout der stad wat hij bijna 40 jaar bleef {tot 1620), en in '85 lid der Admiraliteit; deze stierf er 5 Dec. 1624.

Als tweede zoon van zijn vader uit diens eerste huwelijk is dan ook Franck, geboren te 's-Gravenhage in circa i^óg, nauwelijks opge- merkt geworden; maar wel degelijk als neef {oomzegger) van den mach- tigen Schout van Amsterdam, in de wandeling genaamd Willem Verdoes. Zóó kent hem Begin ende Voortgangh in de „Tweede Schipvaerd der Hollanders naer Oost-Indien" {onder Van Neck uit- gezeild van Texel op i Mei I5g8 met 8 schepen; op 8 Jan. i^gg van Bantam doorgezeild naar de Molukken onder Van Warwyck met 4 schepen), bijWarwyck's vertrekvanTernate op igAug. van dit laatste jaar, en het achterlaten daar van „vijf man met een jonghen" als eerste Hollandsche blijvers in de Groote Oost: „Onder andere bleeffer Franck vander Does, neef van de Schout Willem Verdoes van Amsterdam" {1645, 1, 3e Stuk, p. 28b). Uitvoeriger staat dit in den eersten gedateerden druk genaamd „Het tweede Boeck" {Amst. 1601, p. 35a) 1). Of, zooals Van Warwyck het in zijn brief, dd. 20 Jan. 1600 voor Bantam, naar Amsterdam schreef op zijne manier: „Den ig Augustus [isgg] zyn wy van daer [= Ternate] gescheyden, en hebben

1) Voluit staan hier alle 6 vermeld: „ende die daer ghebleven zijn [op Ternate] waren deze naerv'olgende, Franck Verdoes, de Neef vanden Schout Willem Verdoes, tot Am- sterdam, Dirck Florisz. van Haerlera, Jacob Lambertsz. van Amsterdam, Jan Jansz. van Grol, Cornelis Adriaensz. van Leyden, ende den jonghen genaemt Hendrick Jansz. van Amsterdam" (p. 35 r°). Den óngedateerden eersten druk van deze reis, ook bij Corn. Claesz te Amsterdam en in 1600 verschenen, maar als titel dragende „Joumael ofte Dagh-register . . . vande reyse, ghedaen door de acht schepen van Amstcrdamme, enz." (zie Tiele, Mémoire bibliographiquc, 1867, p. 136 138), konden wij niet raadplegen.

LXXIII

Op leverantie eenige wapenen vercoft, soo dat de Coninck van Ternaty ons schuldig gebleven is 212 baer [= bahar] nagelen, te betalen toe- comende groot mouson[d.i.bij den a.s. groeten oogst in najaar 1600; telkens om de 2 jaar het meest volop], synde nu dit jegenwordige jaer. Om de schuit te innen en noch eenige goederen te beny fiseren is Sr. Vranck van der Does met syn sessen daer gebleven" {De Jonge, Op- komst II, 1864, p. 378). Dat epitheton „Sr." pleit voor een zeker komaf; iets als Sp. hidalgo, d.i. letterlijk „zoon van iets" , geen kerel- van-niks.

Als zoon van een welgeboren en weigestelden vader was zoo Franck op 22 Febr. 1585 te Leiden gaan studeeren in de rechten op de se- dert tien jaar daar gestichte Hoogeschool; en werd ingeschreven aldus onder den rector-magnificus A. Saravia: ^)

^5^5' Febr. 22. Franco van der Does Hagensis. J[uris].

Ook zijn oudere broeder, Jan of Johan, geboren te Gorkum in 1567, zou iets later dan Franck voor de rechten te Leiden worden ingeschre- ven {24 Sept. '8y), en studeerde inderdaad af. Of dat wel met Franck het geval is geweest? Wij twijfelen sterk, om niet te zeggen dat we het beslist ontkennen. De titel „Mr." , welken zijn broer Johan, in I5g5 secretaris van Gorkum geivorden, met recht voerde, en die soms ook aan Franck wordt toegekend aldus b. v. nog in gezegd Woorden- boek — , komt hem hoogstwaarschijnlijk niet toe. Indien echter Franck is blijven doorstudeeren te Leiden tot in i^go, dan was hij er tegelijk, niet alleen met zijn ouderen broer, maar ook met zijn vollen neef Jacob, den oudsten zoon van zijn oom Willem ie Amsterdam, die toch eerst in de rechten er werd ingeschreven op 18 Oct. I58g, maar daarna i^i de letteren op 18 Juni 'go, en secretaris zou worden van prins Fr ede- rik Hendrik. Voor de latere Amsterdamsche relaties van Franck heeft óók wel medegewerkt dat een andere, doch halve, broer van zijn vader kind nummer 14 van grootvader Simon, uit diens 2* huwe- lijk; geheeten Jacob, en geboren ca. 156$ , op ji Mei '82 te Leiden in de rechten was gaan studeeren, en in I5g4 secretaris was geworden van Amsterdam ^). We voelen hier ten overvloede, hoe Franck inder- daad uit een patriciërs-familie stamde.

1) Album studiosorum academiae Lugduno Batavac 1575 1875; Hagae Comitum, 1875, kolom 17.

2) Voor deze 4 data van Leiden, zie gezegd Album studiosorum (1875), kolom 23, 26, 28, en 12. Er is hierbij een correctie aangebracht omtrent neef Jacob, die bij de eerste inschrijving in '89 gesignaleerd wordt als „Hagensis", in '90 echter als „Amsterdamen- sis"; dathijin twee faculteitenheeftgestudeerd, staat vast ; het Nieuw Ned.Biogr.Wdb., VI (1924), kolom 422, is ten deze niet geheel zuiver.

LXXIV

Pas wordt zijn naam echter nader hekend, als hij op lo Maart 'g^ is aangemonsterd te Amsterdam op de Houtman-vloot, geplaatst aan boord ^«?r Hollandia met Jan Dingenoms {of Dignumsz) als Schip- per, Pieter Dircksz Keyser als Opperstuurman der vloot van 2 groote, I middelsoort en i klein schip, en Gerrit van Boninghen als Commies; op Paaschdag 26 d.a.v. over land naar Texel vertrekt, 28 Maart in zijn schip komt liggende hij Texel, op Zo. 2 April reê gaat, om op 14 Aug. ^597 ^^^^ terug te komen ter reede van Texel met hetzelfde groote schip Hollandia, dat hij gedurende de reis nimmer voor een ander had ver- wisseld; hij zich hehhende zijn „Cort Verhael", dat afbreekt op ij Juni te voren, toen hij blijkbaar lichamelijk niet meer kon. Maar spoe- dig moet hij aan wal hersteld zijn, z'n Journael zijn gaan overschrij- ven, en dat o.a. te lezen hebben gegeven aan zijn machtigen Amster- damschen oom. Schout Willem.

Wij hebben voor den gang van zaken tusschen circa 15 Aug. en 9 Sept. i^gy, nadat de Mauritius en de Pinas op 11 Aug. te Texel waren hinnengeloopen drie dagen vóór de uitgeputte Hollandia , met den gevangen Van Boninghen aan boord van het eerste, en den on- der zware verdenking zoo goed als geheel uitgeschakelden Cornelis de Houtman op hetzelfde schip, een hoogst interessant getuigenis in een brief van Adelborst Lambert Biesman aan zijn vader Jacob, burge- meester van Nijmegen, uit het Gemeente- Archief aldaar. Reeds hier- vóór (p. XXX VIII, noot) werd even iets over dien brief gezegd. Het is hier de plaats, om het stuk af te drukken i).

Laus Deo den 9" September Anno gy in Amsterdam

Gunstighe ende Wel Beminde Vader, Desen dient alleen U.L. t ad- uerteeren dat ick God heb lof f, nu weder gesondt ende wel te passé ben; voorts ben ick verwondert dat ick noch geen scrijuens van U.L. ont- fanghen heb, daer hier doch al den dach volc van kennis comdt ende mij seer daerna verlangt; so U.L. sclffs die tijdt niet mocht hebhen cundt sulckx wel door mijn broeders Chrystoffel oft Wijnandt laten

doen ^) Ick hope U.L. so haest te comen hesoecken alst moge-

lijck is, niaer sorge[~ hen bezorgd'] dat daer noch tn 14 dagen off een maendt niet af f vallen wilt, want wij noch onse maendtgelt niet ont- fanghen hebben, ende ooc van onsen eedt niet ontslaghen sijn. Voorder mach ick oock qualyc van hier om mij n c o u s i n J. van 7noe-

1) De voor ons meest belangrijke zinsneden werden gespatieerd.

2) Dit gaat over Lambert's zuster Geertruijdt, die de bruid was; en over een derden broeder, Gerrit. De copic is van Dr. IJzerman.

LX XV

dcrszijde] G c r r it van B u e n in gh en s h al u e «, die ick a l s o hij tot sij n on s c ui t noch geuankelijck ge- houden wordt, van hloetswegcn sciddich ben na mijn vermoe- ghen hehulpich te sijn, wandt niemandt syn saecke beter bewust is als mij; hier is tot noch toe in sijn saecke niet gedaen, want hij noch wij noyt verhoort sijn, niemand heeft sich oijt partij verclaert, so dat men niet en weet wat op hem te seggen valt, anders als scandelijcke leugens. S o h a e st als den schout van d es er stadt [dus Willem van der Does, alias Verdoes], die na den H aech g e r eij s t is wederom co m dt, s al s ij ?i s a e c k di e- n e n, so dat ick niet en twijfel off die waerheijt sal aen den dach [comen], ende onse ouericheijt die ons onse heerlij cke voyagie so scan- delijck bedoruen hebben door hare scelmerien ende godtloosheijt sullen een part nae verdiensteti gestraft werden. Die vrienden van B u en in g en, s o van syn vader als o o c van syn moeders wegen, die machtige luij d en ende o o c van de treffelijckste van Amsterdam sij n, doen veel neersticheijts voor hem, willen ooc voor een groote som van pen- ninghen voor hem borch blijven, al w a er t ooc tw e h on d e r t duij s ent gulden, nadat se van ons al watter op de reys gepas- seert is wel geinformiert sijn, so dat wij niet twijfelen off wij sullen hem haest ut hebben ende anderen in sijn plaets [dus allereerst: Corn. DE Houtman]. Wen wijt medt Godts hulpe so wijdt gebracht hebben, sal ick met hem metter eersten soot Godt belieft ouercomen. Groet mijn moeijtien, broeders ende susters, voorts alle goede vrunden hartelijcken seer ende beveel U.L. den Almachtigen Godt, hem biddende dat hij U.L. in sijn heijlige bewaringewil nemen. Metterhaest U.L: dienst- willighen soan

Lambert Biesman. [Buitenop stond:] Aen den eer samen ende diskreten Jacob Bies- man, mijn L: vader tot Niemeghen. p' amy. [door vriendenhand].

Jacob Biesman, de vader, was een in 1544 geboren Nijmegenaar, in 1579 ^^ schepen geworden, op 2 Jan. 'gy burgemeester (f Sept. 1399), gehuwd met Geertruyd Geurtsdr. van Beuningen uit Amsterdam. De Van Beuningen' s waren zelf ook een familie uit het Rijk van Nijme- gen oorspronkelijk, die later deels te Amsterdam, deels te Emden zich vestigden. Onze Gerrit van Boninghen {alias Bueninghen, Beuningen) was een in ca. 1563 geboren Emdenaar, van wien de namen der ouders niet vaststaan, doch die vóór 1594 als koopman gevestigd was

LXXVI

te Amsterdam; misschien moest hij tante zeggen tot de Nijmeegsche burgemeestersvrouw. Maar zeker is alweer, dat hij op ii Sept., dus 4 dagen na dezen brief van zijn neef Lamberi Biesman, begon te protes- teeren over zijn gevangenschap; ook, dat de reeder s geen oor en naar hem hadden, maar Schout Verdoes wel; zoodat hij vóór 26 Oct. 'gy in vrijheid kwam, zij het ook zonder satisfactie van de reeders te hebben gekregen en zonder van zijn eed ontslagen te zijn. Toen dit laatste nog een volle maand had geduurd, achtte Van Boninghen zichzelf van allen eed ontslagen op het eind van November, en ging in dienst van de Rotterdamsche Compagnie voor een Indiê-vaart bewesten om; zie daarover nader het slot der noot op p. J28 hierachter ^).

Maar er behoeft geen twijfel te bestaan, of, véél meer dan de bemoeie- nissen van Lambert Biesman te Amsterdam, heeft het betoogen van Franck van der Does af doenden invloed gehad op de beslissing van den Schout.

Het Journaal van Franck is geen meesterstuk. Van den éénigen oud-student op den eersten Oostindië-tocht had men zelfs iets kunnen verwachten, dat van meer knapheid blijk gaf dan andere ons gespaarde reisverhalen; vooral ook meer methodisch, en meer evenwichtig was. Dit is niet het geval. Neemt men zijn Cort Verhael naast het Journael van den anonymus {ons II), of d' Eerste Boeck van Lodewycksz, dan hebben we de drie trappen van vergelijking; goed, beter, best. Ook in het fragmentarisch ons bij Pontanus gespaarde Dagboek van onder- commies (later Commies) Kaerel Jr. zijn kwaliteiten te herkennen van beheersching der stof, die aan Van der Does geheel ontgingen; al erkent men dat Kaerel door zijn hoogere positie veel meer de gelegenheid had allerlei uit eerste hand te weten. Maar neemt men het geval dat zich op Bali heeft voorgedaan, toen Adelborst Lintgens, die te voren voor ons een geheel onbekende figuur was aan boord, na zijn zending tot den Vorst van Bali (9 16 Febr. i^gy), voor den dag komt met een rap- port over zijn ervaringen aan land hetwelk er dubbel en dwars 7nag wezen ^), dan voelt men ineens het verschil tusschen rijken natuurlij- ken aanleg hij Lintgens en gematigd vermogen hij Verdoes.

i) De gegevens over burgemeester Biesman zijn ontleend aan J. E. Elias, De Vroed- schap van Amsterdam 1578 1795, I (1903). P- 341". aangevuld door den gemeente- archivaris te Nijmegen. Die over Van Boninghen tusschen ii Sept. en 29 Nov. 1597 aan het Gemeente-Archief van Amsterdam, bijeengebracht door Dr. IJzerman (zie Dr. F. C. Wieder, De reisvanMahu en DeCordesi598 1600, 1, 1923, p. 72). Een dorp Beunin- gen ligt bij de Waal, haast recht West van Nijmegen.

2) Ons VIII; opnieuw (na de 1* editie van 1856 door Leupe) volgens het handschrift in 's Rijks Archief af te drukken in ons Derde Deel.

LXXVII

Er is echter één doorloopcnde trek in Franck's Journaal, die ons blijvend voor hem inneemt: zijn aangeboren goedhartigheid. Herhaal- delijk komt zij aan den dag tusschen de rauwheid van het scheepsvolk, en de koele koopmansberekeningen der Overheid. Een man als de Opperpiloot PieterDircksz (Keyser) met wien hij het voorrecht heeft gehad bijna y maanden samen op hetzelfde schip te zijn, tot diens overplaatsing ajb Mauritius, is iemand naar zijn hart geweest. Over het hulpeloos achterlaten van den kennelijk 77iet hem bevrienden jongen Portugees Antonio Sylveira op 27 Oct. 'g6, kort voor het vertrek van Bantam, is hij nauwelijks uitgepraat i). Ook zijn ongeschokt goed geloof in en vasthoudende trouw aan zijn Commies Va?i Bo7ii7ighen, blijven geheel in deze lijn van goedhartigheid, al pleiten zij niet voor zijn menschenkennis. Den ruwen bullebak Cornelis de Houtman heeft hij echter hartgrondig gehaat.

Naast het sympathieke dat daardoor ademt in het heele Journaal van Franck, treft hij meermalen door goed waarnemen van interessan- te details, waarvoor anderen geen oog of geen andere dan vluchtige be- langstelling hadden. Hoezeer niet „curieus" in dien doordritigenden zin welke bitmen een eeuw bij een man als Rumphius tot de grootste intensiteit zou komen hoeveel kansen heeft Van der Does zelfs niet verspeeld, die voor hem voor 't grijpen lagen ! , meldt hij toch tel- kens weer bijzonderheden in korte zinnetjes die opvallen door nieuw- heid en frissche opmerkingsgaaf. In onze noten hebben wij deze zoo- veel mogelijk tot hun recht laten komen. Daarbij komt nog iets dat hem eert: hij is een der niet velen geweest, die diverse „ethnographi- sche" voorwerpen, zooals wij thans zouden zeggen, tijdens de reis van verschillende plekken meenam en ook mee thuisbracht; men zie daar- over onze noot 4 op p. 260 hierachter. Ook zoude men geneigd weze^i hem aa7i te zien voor medebre^iger van het Javaansche lontar-hand- schrift, vermoedelijk uit Banta7n, thans te Leiden bewaard, indien bij het weinige wat wij omtrent de herkomst weten, zijn naam slechts zijde- lings betrokken ware ^). Dat is niet het geval; en onwillekeurig denken

i) Verg. hierachter p. 301 304, met noten. Zijn vermoording (wel door de Portugee- zen), evenals die van loods Abdoel (nadat de laatste met Van Ncck op 25 Nov. '98 te Bantam opnieuw was aangekomen, en als taalman herhaaldelijk dienst deed voor deze Tweede Schipvaart), is gevallen tusschen 8 Jan. en 9 Aug. 1599; d.w.z. tusschen het wegzeilen der 4 schepen onder Van Warwyck en Jacob van Heemskerck naar de Moluk- ken uit Bantam, en hun terugkeer aldaar, toen „onsen Abdol ende Antonie" bleken te zijn „doot gestecken" (De Jonge, II, p. 447 448).

2) Bedoeld is Codex 266 Leg. Wam., in transcriptie uitgegeven door Dr. J. G. H. Gunning in 1881, in vertaling met commentaar behandeld door Dr. H. Kraemer in 1921 als „Een Jav. primbon [Moh. godsdienst-geschrift] uit de zestiende eeuw". Van dit hand-

LXXVIII

WC daardoor veeleer aan Lodewycksz, die zulke intelligente zinsne- den neerschreef over het Javaansche schrift aan het slot van zijn 25^ Capittel {ed. igi5, p. 120), misschien onder voorlichting van den uit Bantam meégevaren loods Ahdoel.

Over het voorval dat Verdoes ten diepste heeft geschokt, gelijk trou- wens de gansche vloot de plotselinge en sterk verdachte dood van Schipper Muelenaer a/b Mauritiits op Eersten Kerstdag van 'gó; welke het begin werd van den thuiskeer der schepen , hebben wij het oordeel gevraagd van twee specialisten, den heer C. J. van Ledden HuLSEBOSCH te Amsterdam en Dr. G. O, E. Lignac te Leiden. Hun meeningen over de zeer schaarsche en onvoldoende gegevens vindt men in Bij l a g e 1 1.

Als geheel blijft het Cort Verhael van Van der Does een kostelijke bron naast de Journalen, van ouds in druk verschenen. Toen zij voor het eerst als het ware ontdekt werd door de Jonge op 's Rijks Archief, en in 1864 in het IP Deel zijner Opkomst uitgegeven, werd ze begrij- pelijkerwijs in waarde overschat. Ze kan eenvoudig niet halen bij Lodewycksz' Eerste Boeck.

De kwaliteiten, èn de tekortkomingen van Franck van der Does, worden op ongezochte wijze bevestigd door zijn verderen levensloop. Verbaast het ons al, dat hij aan land geen behoorlijk slot heeft gemaakt aan zijn Journaal, en getuigt dit van een zekere slapheid, zoo bestaat de mogelijkheid dat hij dit voor zichzelf wel heeft gedaan, maar wij alleen beschikken over een kopie die voor zijn oom dadelijk is gemaakt na 't binnenkomen van zijn schip. Veelzeggend echter is wat volgde. Na acht volle maanden aan wal te zijn geweest, geheel en al gezond te zijn geworden, en men vergete dit vooral niet bijgewoond te hebben de verschijning van eersten en tweeden druk van 't Verhael, en de uit- gaaf van het Journael, alle drie te Middelburg {omtrent wier schrij-

schrift op palmblad staat vast, dat het dd. i8 Nov. 1597 werd verworven voor Leiden van den Amsterdamschen koopman Coenraet van Dulmen, wiens zoon het op 14 Oct. onder zijn berusting had zoodat de Leidsche bibliothecaris (Paulus Meruia) het dien dag bij ge- zegden zoon had gezien, en het uu op 15 Oct. van den vader ten geschenke vroeg als eersteling van dit soort voor zijn boekerij; uitzicht was toen ook geopend op het verkrijgen „van een tweeden Indischen codex" (alterius Indici codicis), berustend bij een ingezetene van Delft. Zie Dr. B. J. O. Schrieke's proefschrift „Het Boek van Bonang", Utrecht 1916, p. IX XI. Van welken persoon der Eerste Schipvaart Van Duimen het zijnerzijds in eigendom had gekregen en wie die Delvenaar was met dien tweeden Indischen codex, blijven raadsels; evenzeer de juiste herkomst (Bantam?). Het oorspronkelijk 75 palm- bladen tellende hs. mist thans blad i 14 en 75, en is dan nog verward; d.w.z. een slechte oude copie.

LXXIX

vers hij cUles icist, want ze hadden wet hem op één en dezelfde schuit gevaren); bijgewoond ook te hebben de verschijning in half April van Lodewycksz' Eerste Boeck, en dus den opgang te hebben beleefd van drie beschrijvingen zijner eigen reis waarvan óók hij een Journaal in petto had, gaat hij den i^" Mei 'g8 opnieuw scheep naar de Oost met de vloot van Van Neck. Aangemmisterd op g Maart te Amsterdam, nu als ondercommies, heeft hij het buitengewone voorrecht door Vice- Admiraal Van Warwyck op ig Ang. i^gg met den rang van koop- man als eerste „leggher" of hoofd van een loge op het voor het eerst door de Hollanders bevaren Ternate ie worden achtergelaten, en daar volle twee jaar in die gloednieuwe en belangrijke functie rus- tig te mogen blijven. Totdat dezelfde Jacob Cornelisz van Neck, Am- sterdamsch patriciër, bij zijn tweede Oostindische reis, nu Ternate ook aandoet, en hem op 31 Juli 1601 mee terugneemt huis-toe aan boord van zijn eigen admiraalschip, de Amsterdam. Op i^ Juli 1603 is hij aldus voor Vlissinge7i terug.

Met wéér een Journaal, nu over zijn verblijf op Ternate, centrum der Molukken, waarvan het Holla7idsche publiek zoo bitter weinig ivist, en waarvan hij door zijn goeden omgang met den Sultan, zooveel had kunnen vernemen.^ Een Jott maal, waarvan de publicatie wel niet mogelijk had kunnen zijn wegens de groote koopmansbelangen die er mee samenhingen, maar dat hij voor zichzelf meebrengt als kostbaren schat in het vaderland?

Niets van dit al. Evenals Adelborst RoDEtiBVRCn in Jidi 1601 thuisvaart navier jaar onafgebrokenverblijfs op B ali, zonder één stuk notitie op papier of lontarblad van dit Jong- Holland, waarvan hij de taal had leeren spreken en schrijven {verg. De Jonge, II, p. 475), zoo keert zijn oud-collega Verdoes van Ternate terug zonder iets dat naar een Dagboek gelijkt, zelfs zonder eenig geschrift over de Molukken of over deti zoo gewichtigen, steeds op elkaar zoo naijverigen, tweeling Ternate Tidore, waarvan wij tegenwoordig kennis zouden hebben ^).

Hij wordt, in patria terug, niets. Hij trouwt op 23 Maart 1608, krijgt drie kinderen, is gevestigd te Amsterdam, en sterft er op 13 Jan. 1645, circa y$ jaar oud^). In i^gy was hij geestelijk al uitgekristalli-

I) Men vergelijke, als tegenstelling, het kranige rapport van den eersten HoU. factoor op Banda Neira (1599 1602), Augustyn Stalpaert (voluit: Stalpacrt van der Wiele), overdenOosterschen handel, gedeeltelijk afgedrukt in De Jonge, III (1865),?. 149 163; volledig, met noten, in Rouffaer & Juynboll, De Batik-kunst in Ned.-Indië en haar ge- schiedenis (1914), Bijlage III.

3) Verg. PoLVLiKT in Jaarboik van den Ked. Adel, V (1893), p. 36-37,

LXXX

zeerd; in i6oj was de maatschappelijke loomheid over hem gekomen en koos hij het vak van wijlen zijn vader, n.l. ivelgesteld rentenier. In het eigen jaar van zijn dood komt de Amsterdamsche schrijver en uit- gever IsAAcCoMMELiN met de gewichtige eerste gedateerde uitgave van „Begin ende Voortgangh" i), waar in Deel I op Madagascar en op Ternate „Franck van der Does" driemaal en de „koopman Ver- does" eenmaal wordt vermeld {resp. 2e Stuk, p. 13b; 3e Stuk, p. 28b; ye Stuk, p. 6a, en yb).

Dat Commelin, zonder naam te noemen, op tal van plaatsen bij zijn compilatie der „Eerste Schip-vaerd der Hollanders naer Oost-Indien" Franck' s Journael heeft benuttigd en gevolgd, blijkt telkens en telkens bij vergelijking. In onze noten zal men daarvan verschillende bewijzen vi7\den; zie b.v. p. 264, met noot 2; p. 2yi, met noot 2; en elders.

In dit Tweede Deel hebben wij veel meer werk gemaakt van de ach- terschriften der Platen e7i Kaarten, alsmede van bizonderheden der taal, dan ive in igi5 bij de uitgave van Lodewycksz deden.

Geregeld werd thans voor het Nederlandsch geraadpleegd het inte- ressante met de hand bijgewerkte exemplaar van Kiliaen's „Etymo- logicvm Tevtonicae lingvae . . . Editio tertia, prioribus auctior & cor- rectior, Antverpiae M.D.XCIX", dat berust in de Kojtinklijke Bi- bliotheek te Den Haag {jgs F 10), hetwelk talrijke toevoegingen in schrift van ca. 1600, en ook een klein getal doorschrappingen en tekst- verbeteringen bevat, gedeeltelijk zeker van de eigen hand van Kiliaen (f Antiv., 15 April i6oy, bijna 80 jaar oud), deels van andere hand

i) Over Isaac (1598 1676), en zijn zoon Caspar Commelin (1636— 1693) vindt men twee weinig belangrijke artikeltjes in dl. VI (1924) van het Nieuw Ned. Biogr. Wdbk. De plaats in C. Coramelin's „Beschryvinge van Amsterdam .... tot den Jare 1691" (f Amsterdam, 1694, 2 din. fol. in doorloopende pagineering) over het aandeel van zijn vader in de uitgave van dit werk en over den uitgever er van luidt, onder de rubriek „Van geleerde en dappere Mannen en Konstenaars", : „Isaak Cotnmelin, Arasterdammer, ge- booren 1598. is overleden 1674. alhier [lees echter: Febr. 1676]; die .. ..in den jare 1644. by een versamelt [heeft], alle de Placcaten . ... in 3 Deelen verdeelt, in fol. nytgegeven; als mede de Oost-Indische Reysen, in 2 Deelen, in lang Quarto; .... alle tot Amsterdam, by Jatissonius, gedrukt" (fol. 866a). Dat is dus bij Jan Jansz., alias Joannes Janssonius, in 1618 alsboekverkooper „inde Paskaert" op het VVater(= Damrak) ingeschreven te Am- sterdam; verg. Ticle's Mémoire bibliographique (1867), i. v. p. 365.

In 1644 was n.l. verschenen een zeer zeldzame eerste ongedateerde uitgave van (2 + 10) + 10 stukken; de standaard-uitgave van 1645 mist de eerste 2 (trouwens Engelsche) reizen, en telt 11 -f lostukken, waarvan het laatste nieuw; de uitgaaf van 1646 is slechts een titel-herdruk, van welks titel weer twee varianten bestaan.

LXXXI

of handen, en in donkerder inkt. Zoo mochten wij de juiste verklaring vinden van het ouderwetsche schee-psivoord deeldagJi „schaft- tijd aan boord oin 5 uur" {zie hierachter p. 6g met noot ï) ; hetwelk ook meer dan eens o.a. voorkomt in Gerrit de Veer's „Drie seylagien" van 1598, zie de editie-S. P. l'Honoré Naber, igiy, p. 6, 12, 87, maar waarvan de juiste ziti in vergetelheid was gekomen. Ook al zijn eenige uittreksels uit dit unieke exemplaar publiek gemaakt in Bijlage III ip. cxxxv—CLVii) hij dl. I van Kiliaens door E. Spanoghe uitgege- ven „Synonymta Latino-T eutonica" , Antwerpen i88g), waarop onze aandacht werd gevestigd door Prof. J. Vercoullie te Gent, die het derde en laatste deel het licht deed zien {igo2), zoo ware een volledige nieuwe druk van Kiliaen's standaardwerk op grand van dit zeer ver- rijkte Haagsche exemplaar, uitermate te wenschen ^) .

Een belangrijke correctie danken wij aan Pater C. Wessels 5./. In zijn Juni '25 verschenen studie „Wat staat geschiedkundig vast over de oude Missie in ZuidSelébès of het land van Makassar? 1525 i66g" {Studiën, dl. CIII, p. 403 441) schreef hij op p. 431, naar aanleiding van het feit dat te Malakka, bij de intieming der stad door de Hollanders op 14 Jan. 1641, zich bevonden „20 ordens- geestelijken: Dominicanen, Augustijnen, Franciscanen en vijf Je- suïeten", deze noot 3:

„Geen Capucijnen, zooals herhaaldelijk maar onjuist geschreven is, afgaande op de Portugeesche benaming Capuchos, waarmede de Recollecten of Reformati naar hun capuce genoemd werden. De Ca- pucijnen zijn nimmer op Malakka geweest, evenmin als op Java in de missie van Panaroekan of te Makassar. Zij kwamen eerst in 1636 naar Voor-I ndië en die eerste paters waren Franschen. Zie Rocco da Cesinale, Missioni dei Cappucini {Paris i86y)" . . . etc.

Men gelieve dus zoowel in ons Deel I {igi5) , als in dit Tweede Deel, waar van de zgn. „Capucijner-missie te Panaroekan" {ed. Lo- dewycksz, p. 18$, noot 41 ; enz.) gesproken werd, ten rechte te lezen: Franciskaner-missie. Van p. 337 in dit Tweede Deel af, kon deze fout nog bijtijds worden achterhaald.

Bij de Platen en Kaarten lag ruimere behandeling reeds daarom voor de hand, omdat we bij de eerste een drietal {16 18), bij de laat- ste een zevental (/P; V; IX— XIII) buiten den tekst hebben op- genomen. Van dat grooter aantal Platen geeft 16 bij den druk met het volgnummer 14 eerst gemerkt , een gezicht uit het Oosten

i) Verg. in 't proefschrift van Dr. A. Kluyver, Proeve eener critiekop het woorden- boekvan Kiliaan, 's-Grav. 1884, het véél te korte Bijvoegsel (p. i53-i54)-

LXXXII

Op het wilde vulkanische terrein hij Kaap Sedano op Oost-Java's noordelijk uiteinde, den lo^n Dec. 1821 geteekend door A. J. Bik, die als artist-teekenaar Prof. Reinwardt op diens reis door den Indischen oostelij ken Archipel vergezelde, en daarvan, met zijn broer J. Th. Bik, een verzameling opmerkelijke schetsen terug bracht, thans het eigen- dom van Mr. A. J. E. A(rnold) Bik te den Haag. De Platen ly en 18 toonen hizonderheden omtrent Oudhollandsche scheepstypen, waar- van de laatstgenoemde een brokstuk weergeeft van dat schitterende uni- cum in het Prentenkabinet te Amsterdam, de meer dan 2 Meter lange kopergravure van {hoogstwaarschijnlijk) Jan Saenredam uit 1606.

De vermeerdering met zeven kaartjes is voor niet minder dan zes te danken aan de collectie van 8 kaarten op perkament uit i^go door Bertholameu LA90, door bemiddeling van Dr. F. C. Wieder «w igi5 het eigendom geworden van den Heer W. A. Engelbrecht te Rotterdam, aan wien wij ook danken het facsimile van het unicum- Lodewycksz, op p. 2oy 208 hierachter. Behalve in de toegevoegde achter schriften, vindt men over de beteekenis van deze voor het eerst hier gepubliceerde Lago-kaartfragmenten een algemeene historische be- schouwing op p. Lvi—Lxxi hiervóór. Onder die achterschriften vra- gen wij bizonder e aandacht voor dat bij Kaart IP (Madagascar), omdat hier het ware en nog altijd onbekend gebleven jaar der dooping als Sao L ourengo en daardoor der feitelijke ontdekking door de Portugeezen, namelijk 1505, is vastgesteld geworden.

Den dank dien wij schuldig zijn aan de Universiteits- Bibliotheek te Göttingen, en aan den Heer Ant. W. M. Mensing te Amsterdam, hebhen wij bij de behandeling van het geheel complete exemplaar van 't Verhael uit 1397, ^^ ^^^^ unicum der Des- cription plus Addition uit I5g8, met groote erkentelijkheid hiervoren betuigd. Ook het Scheepvaart-Museum te Amsterdam, waarin tegen- woordig de verzameling-M ensing is opgenomen, heeft ons groote lank- moedigheid getoond, toen de eerste bewerker door lichamelijken tegen- spoed genoopt was meer dan gewoon beroep op haar te doen.

Den Haag, ,^ G.P.R.

—- Maart 1025. ^ ^„ , ^

Wassenaar J.W. IJ.

CORRIGENDA en ADDENDA.

(De belangrijkste zijn gekenmerkt door een sterretje.)

Bladz.

**7. Voeg bij aan het slot van Noot i: Opmerkelijk blijft, dat ook John Davis, de opperpiloot en Engelsche spion a/b De Leeuw van Corn. de Houtman op diens tweede en laatste Indiè- vaart, bij het aan wal zijn in de Saldanha-baaivan ii- 27 Nov.O.S. (= 21 N0V.-7 Dec.N.S.) 1598, schreef: „Their Cattell are large, and under severall markes, having upon the backe by the fore shoulders a great lumpe of flesh like a Camels backe."(Purchas,I, 1625, fol. 118; of herdruk-GIas- gow, II, 1905, p. 308).

Anderzijds vond de vloot van Vascoda Gama bij het ver- blijf in de Angra de Sam Bras (= Mosselbaai) van Zat. 25 Nov.-Do. 7 Dec. 1497, alleen ossen „zooals die van Alem- tejo . . . sommige zonder hoornen", waarvan de „Negers" (= Hottentotten) de zwaarste belastten met „pakzadelsvan plankwerk net als in Kastilië", waarop zij reden (anoniem „Roteiro da viagem que"etc., ed. Porto 1838 aangehaald in de noot op p. l onzer Inleiding , p, 13-14; en verg. de niet heel zuivere Eng, vertaling door Ravenstein, 1898, p. 12-13).

Mag men Davis' „under severall markes" vertalen met „van verschillend slag", dan blijft de mogelijkheid open, dat er in i595-'98 hier en daar in Zuid-Afrika Madagascar- vee rondliep, aangebracht van den overwal, zoodat I, II en IV toch niet gefantaseerd hebben; en dat er toen ook wel hoornloos vee ten deele voorkwam (volgens een onbekende bron van Begin ende Voortgangh), evenals in 1497.

*8 regel <^ staat: 16. graden. Voeg bij als noot: Lees wel 26. graden. Zie p. 262, noot 3.

*9 3 v. o. i-Zaa/: Dit viel voor op 6 Dec, en met éénraan! Zif^j: Dit viel voor op 26 Oct., en met twee man ! Zie het juiste dd. 25 {lees: 26) Oct, op p. 129-130 van II. Verg. trouwens Lodewycksz, ed. 1915, p. 28 noot 23, p. 66 noot 7, en p, 203 noot 3 (met de kleine correctie daarop, hierachter p. 386). **i8 8-9 f tóa/: zijn moeder was een Portugeesche Vrouwe gheweest uyt Malacca. Voeg bij aan 't slot van Noot 2 : Zóó zeggen zoowel I als II. Doch V (16 11) en VI (1614), dus Pontanus

LXXXIV

Bladc.

in Lat. en Holl. tekst, zegt resp. van dezen Pangeran Dëmak dd. 2 Juli '96: coniunx ei erat Lusitanis oriunda (fol. 156); en : zijn huysvrouwe was van de Portugesen gesproten (p. 194^). TiELE(Bijdr. Kon. Inst. 4, V, 1881, p. 204 noot 2) heeft II gevolgd; maar Pontanus, blijkbaar naar het Jour- naal van Commies Jan Jansz. Kaerel a/b HoUandia, bezit hier heel wat meer gewicht, en gaf wel het juiste verband. ♦♦23 regel 8 v. o. Voeg bijz.z.n het slot van Noot 2 : Dit „oudt Amsterdam" van Jen II bedoelt Amsterdam na den eersten uitleg in 1585 van den tusschen 1482 en 1488 gebouwden baksteenmuur, en vóór den tweeden uitleg van 1 593 (waarbij de wallen kwa- men te loopen langs de Noordzijde der Heerengracht). In 1601 werden deze stadsvesten geslecht. Zie Pontanus(ï6i i), in de vertaling- Montanus (1614), p. 14, 18 en 269. In 161 2 volgde toen een nieuwe, en in 1658 een nieuwste uitleg; verg. het opstel „De topographie van Amsterdam" door prof. Dr. H. Brugmans in den Catalogus der Historische Tentoonstelling Amsterdam 1925, 1, p. 26-31. 26 5 V. o. Het streepje na: crypto-Joden) z'^rz'a//.

♦26 I » » staat: boevenet; d. i. kampanje. Lees: het achterdek vlak achter den grooten mast. Verg. Plaat 17 en 18, met hun achterschriften. 39 „9 j/aa/: haer2); /<r«: haer3).

*42 Het nootje i (marginaal, en r. i v. o.) diende genummerd te zijn:

a. De noot i bij p. 42 r. 19 v. o. staat op p. 43. 47 regel 11 staat', d. w. z. hier a/b Amsterdam, niet Hollandia. Lees: d. w. z. a/b Amsterdam, èn Hollandia. Zie het juiste bij IV dd. 3 Dec. op p. 314 hierachter, met noot 3 slot.

*59 1 1 v. o. Voeg bij: Doch lees ten rechte voor 7 : 9 Febr. Zie toch P- 354-355. slot van noot 4.

♦62 7-8. In I staat inderdaad : ende altemet eens boven dien, ont- fingen die man daer toe enz. Z^r^rj echter : ende altemet eens [Boonen], boven dien ontfingen die man daer toe enz. Zie toch deze tekst-correctie op p. 366, noot 4 slot. **62 1 1-8 V. o. Zffé-j deze 4 regels aldus: Waar blijft de Wijn van I? Zie deze vraag opgelost bij IV, p. 364 hierachter, met noot 2. (Een heele alinea had De Jonge bij V. d. Does overgesla- gen). — Het bericht bij IV enz.

*(^2 3 V. o. P<?<f^^jr: Vaerweer = storm. Zie nader p. 368, noot 1.

64 65. Noot 2. De in deze Noot vermelde koersbreedten uit stuurman Kackerlack's Journaal a/b Hollandia, 27 April-7 Mei 1597, moeten alle é/n dag later verschoven, en gelden dus voor 28 April'8 Mei. Zie p. 369-370, noot 2 .

LX XXV

Bladz.

♦66 regel 26-25 v* o. staat: de toen iets voorop (?) zeilende Hollandia. Het vraagteeken vervalt; zie het vergelijkend lijstje der koersbreedten tusschen Hollandia en Pinas (-|- Mauritius) van 6-25 Mei 1597, op p. 376 noot. 68 14 staat: de Diana-piek op St. Helena, 825 M. hoog; lees: de Mount Actaeon op St. Helena, 818 M. hoog. Zie ons Kaartje V». ♦•68 22 staat: langs den Zuidwal ; lees : langs den Noordwal. ♦79 1 F(?<r^^//: Zie nader over dit unicum onze Inleiding,

p. XXXV— XXXVII.

♦87 8 V. o, j/aa:/: Amerikaanschen; /<r(rj: Duitsch-Joodschen. ♦♦91 12-14 staat: want wat Wolfe als één boekje . . ., met 2 titelbladen, in 1598 uitgaf, is: enz. Lees: want wat Wolfe gesplitst in twee boekjes als feitelijk één geheel . . ., met 2 titelbladen, in 1598 met een tus- schenruimte van ongeveer anderhalve maand uitgaf, is: enz. Zie nader onze Inleiding, p.xxxix, regel 14-18; en p. LI, het slot der 2c alinea. *94 I V. o. j/aa/: p. loi; /<r<rj: p. 103.

97 » 9 » » « hier en daar; /df^j: hier of daar. *97 n 2> n n het oordeel vanTiele; lees: het oordeel van

Burnell bij Tiele. *ioo 9-10 j/öö/: Amerikaanschen; /<r<fj: Duitsch-Joodschen. ♦loi 10 V. o. 30 exx. ; //^j : 60 exx. 105 M 6 1747: lees: 1745. (Zie onze Inleiding, p. Liv, noot 1). Zij heet ook „Harleian Col- lection", naar Robert Harley, in 171 1 verhe- ven tot Earl of Oxford. **^i5 >fi6-i3„ De data van verschijning der editio princeps (I), en editio altera (Ja) van het V e r h a e 1, alsmede van het Journael -f- Appendix (II -f- Ila), bij Langhenes te Middelburg, moeten alle drie iets later worden geschat; n.1. respectief op: begin Nov. 1597; Deo. '97; en begin Maart 1598. Zie onze Inleiding, p. xxxv, xxxvii, xlvii, ♦♦119 2. Er j/(jtd!/in den tekst: i6. graden. Doch lees: ógraden. Dit blijkt uit het verband, en wordt bevestigd door IV, p. 250 hierachter, dd. 4 Mei. 130 1 6 V. o. Het sterretje achter : vloot, vervalt. ♦166 8, Volgens pers. meded. van den heer C. Lekkerkerker, zou „bantaren"=: „Sterven" zijn: }Az\.kantaren,(\.\. „door een blaaspijltje {kantar, katar) gedood". ♦173. ï^<7<f^<^y (links bovenaan bij de reproductie) de signatuur :[Dd2r°]. ♦174 regel 4 v. o. staat: wordt nergens elders vermeld ; /(r^rj : wordt ook

LXXXVI

Bladz.

vermeld door V.d. Does, en doorLintgensz. Zie toch p.357, met noot 4. 177 regel 8 staat: Jacob. Jansz.; /^<fj: Jacob Jansz. 185 I Soelah (Kale Spits"); /^^j: Soelah („Kale Spits"). ♦187 3 V. o. staat: op 27, dan wel op 28N0V. 1596; lees: op 30

Nov. 1596. Verg. toch noot i op p. 313. *i94 8 het Historisch-Zeevaartkundig Museum te Amsterdam. Lees: het Nederlandsch Historisch Scheep- vaart Museum te A. (Zie nader onze Inleiding, p. lui). 199 I j-tóa/: Middelburgsche; /<f«: Middelburgschen. 209 16 Beginende; /^«rx: Begin ende. ^*2i3 23 V. o. Voe^bij aan het slot van Noot 8: Een interessant voorbeeld van een Pagode-Lichttoren in de ló^ eeuw is de Vergulde Toren op kaap Negrais (Z.W. punt van Neder- Birma), nog altijd op de kaarten geheeten Pagoda Point, door den Venetiaan Gasparo Balbi beschreven in zijn Viaggio deir Indie Orientali (Venetia, 1590; p. 92 r°), waar hij op 23 Sept. 1583 voorbijvoer; en door hem geheeten „vn pagodo, ouer varella [d. i. het verportugeeschte Mal. bërhala] tutta dorata", die schitterde in de zon, als vuur- toren voor de Irawadi-mondingen. 216 12 V. o. staat: Relatione; lees: Relazione. ♦324 „13-12 meridiaan-graad; lees: evenaar-graad. Zie onze Inleiding, p. lix-lx, met noot 2. (Het verschil tüs- schen den aequator en een poolmeridiaan is 69 KM.). ''*225 \2 staat: \t^\Z\ lees: it^^Z. 249 I V. o. De punt achter „heetten" vervalt. 254 I » i-/<?a/:ierugreis;/<?<rj: terugreis. ♦269 15 21 Mei; /<f«: 21 April.

♦292 II Voeg bij: Volgens W. L. de Sturler, Bijdrage tot de kennis. . . van het Palembangsche gebied, Groningen 1 855, p. 79, zouden de regeerjaren van Pangeran ^Madie-Angsako" gevallen zijn van 1573-1608; dus 5 jaar eerder zijn begonnen. ♦301 21 V. o. Voeg bij: Ook te Bantam-zelf was Zaterdag de tour- nooidag; zie toch Scott's „A Discourse of Java, and of the first English Factorie there, .. . . written by Master Edmund Scot", II Febr. 1602-6 Oct. 1605, abbreviated, in Purchas, I (1625), fol. 183, of in den Glasgow-herdruk, II (1905), p. 490 : „I never saw any of them [n.1. de vurige Javaansche paardjes] put to draw, but onely to ride on, and to runne at Tilt [= tournooi], .... which exercise they use every Satur- day towards Evening, except in their time of Lent [= Vas- ten]". (De onverkorte ie uitgaaf „An exact discourse of the

LXXXVII

Bladz.

subtilties, fashions, etc. of the East-Indians, as well Chyne-

ses as Jauans, etc VVritten by Edmuud Scott", London,

W. Burre, 1606, staat ons niet ten dienste). *303 regel 18 Voeg bij: Over de vermoording te Bantam van Sylveira, evenals van den loods Abdoel, tusschen 8 Jan. en 9 Aug. 1599, zie onre Inleiding, p. lxxvii, noot i. *3ï6 3 en I V. o. Voeg bij de in den druk uitgevallen noot-cijfers

2) en 3). ♦320 6 V. o. j/aa/: Notokoesomoe; /<rtfj: Notokoesoemo. *322 12 F<:7(f^^/«j.r<-/^^«: In de Molukken heetten bij de Span- jaarden reeds vóór 1545 de passaten ^rz'jöj, de West-moesons vendavales (d. i. „heftige zeewinden"); zie G. d'Escalante Alvarado dd. Lisboa i Aug. 1548 in deColeccion deDocu- raentos Inéditos, V, Madrid 1866, p. 147, 154; en dit bleef later het vaste Filippijnsche gebruik (zie reeds het rapport vanG.-G. Dr. Francisco de Sande, dd.Manila, 7 Juni 1576, aan Koning Filips, in de serie „The Philippine Islands, 1493-1803", ed.-Blair & Roberison, IV, Cleveland 1903, p. 21-22). *332 „15 y. o. staat: Plaat 14; lees: Plaat 16. (Verg. noot i op p. XIV van den Inhoud van dit a^ Deel). **336 n 2 Capucijner-monnik; lees: Franciskaner-mon- nik. (Verg. onze Inleiding, p. lxxxi).

•■lx 20 Voeg bij :KQtds vóór 1574 was de oude naam „Santo Thomé" in onbruik geraakt, en heet dit eiland beN.Guam, evenals thans nog: Rota. In zijn „Geografia y descripción universalde lasIndias",ed.J.Zaragoza, Madrid 1894, somde in 1574 de Spaansche Cosmograaf-Chroniekschrijver Ju \N LÓPEZ DE Velasco (I ca. 1 59 1 ) aldus de diverse toen bekende eilanden der Ladronen, 13 in getal, in de richting A^<?^r^ naar Zuid met hun volle namen op: i. La Inglesa\ . . . .; 9. Chereguan (= thans Sarigan); 10. Natan (= Anatahan); w.Saepan (= Saipan); 12. Rota (door een fout in het oude hs. staat er „Bota"; evenals op p, 591 „Baja Soliman",voor Raja S.); en 13. Volidoi Guahan (= Guam); o. c. p. 608.

Een analoge lijst gaf in 1601 de officieele Spaansche ge- schiedschrijver Antonio de Hbrrera (1559— 1625) in het Appendix met 14 Kaarten aan 't slot van zijn Decada IV, getiteld: Descripcion de las Indias Ocidentales [sic]; ex.

LXXXVIII

Bladz.

Univ.-Bibl. Leiden, Kaart 14 op fol. 6, welke 11 eilanden opsomt van Noord tot Zuid: i. La inglesa; . . . . ; 11. volid. Op onbeschaamde wijze heeft Herrera in dit Appendix echter gestolen van 't handschrift van den toen ca. 10 jaar reeds overleden López de Velasco, zonder over hem een woord te reppen in de lijst zijner bronnen vóóraan zijn DecadaI(i6oi), opdenrugkantvan het „Preuilegio". Verg. ook nog het achterschrift bij ons Kaartje XIII, slot.

Lxix regel 21 v. o. j/adr/: Lopublica; lees: Le publica. (Deze Catalogus werd samengesteld door Dr. P. Roca, archivaris van den huize- Alba; zooals blijkt uit noot 2 op p. 3 van de in den hoofdtekst genoemde Nuevos autógrafos etc, 1902).

Bh. I.

mtt ^a^t 3nb(en/ gaer abontuer cnbe ^mtt§/ enz.

Ghedruckt voor Barent Langenes,

Boeck-vercooper tot Middelborgh,

Anno 1597.

Houtman I(.

(Aar*]

VERHAEL VANDE REY-

SE BYDE HOLLANDTSCHE SCHE- PEN GHEDAEN NAER OOST-INDIEN, HAER AVONTVER ENDESVCCES. ^

V

ap ouden.

an het Oostersche India hebben oock d 'oude Wereltschry vers india een ende History schryvers loflijcken altoos vcrmaent, dat met uyt- [andtsch' nemende wonderheyden verheffende, die by verscheyde Reysen, ^J;'^^" Navigatien ende tochten, van eenige doorluchtige Capiteynen ontdect waren. Dese zijn geweest, namentlijck Alexander Magnus, Seleuctis, Antiochiis, Patrocles, Onesicritus, 2) d-c, die hebben met allen veel van Indien gheseyt ende achter gelaten, so dat eenige daer door, Indien het derden deel van alle Landen gehouden hebben, om de groote Provinciën aldaer, gheweldige steden, ongemeten Eylanden, die van alles vruchtbaer, een schat van costelijckheden daer beneffens aende andere natiën des Werelts over senden. Der ouderen curieusheyt Vermaer- dan is hier in groot geweest. Grooter doch is die in onse tyden ge- onsereif ^" pleecht wordt. Zy hebben eenige kennisse gehadt, noch dickmael onseker, wy zijn in onsen tyden daar te vollen af onderrecht, weten de landen, kennen de steden, stroomen ende havenen, iae handelen daer op, makende dat alle de Werelt met so veel verscheyde natiën gantsch verdeylt, nochtans door de Coopmanschappe vereenicht wordt, ende tot gemeene kennisse gebracht. De Portugesen hebben Eerst door eerst sodanigen handel bestaen, die hebben door de conste van Schip- 3 ƒ„ oi'tuge- vaert (in onsen tyden volmaeckter dan in voorleden, ende daerom oock den handel lichter valt) dit woeste Landt van Indien ontdeckt, haer Coninck aldaer doen eeren, zijn name groot ghemaeckt, ende een sonderlinghen profijt van alle speceryen, aen hen Vaderslandt, jae over de gantsche Werelt gheschickt. Dan dat is daer niet by geble- Daernae uen: Want d'Engelschen (die aen geen Natiën in conste van Schip- ggi'^^hen"

1) Deze titel, evenals de inleidende beschouwing, is gewis van de hand van den uitgever en boekverkooper Barent Langenes zelven. Verg. toch zijn alléén in Engelsche vertaling bekende, maar hier inderdaad als Opdracht thuis hoorende „Epistle" aan Baljuws, Burgemeesters en Raad van Middelburg, dd. Middelborgh 190^.1597, in I"" hierachter ; die geheel in denzelfden stijl is van klassieke rederijkerij.

2) Zijnde: 2 Generaals, de Admiraal, en de Opperstuurman van Alexander den Groote, bij zijn veldtocht naar Indie (327 1323 v. C). Zie Arrianus, Plutarchus, e. a.

vaert wijeken) hebben d'Indiaensche vaert oock willen bestoocken, ende aen haer Eylandt, yet deser navigatie aengaende, oock gemeen maecken, Daerom zijn de Capiteynen Draeck ende Candish byson- der te verhalen, die niet alleen Oost-Indien beseylt hebben, maer oock de gantsche Werelt omghevaren ï), met een ghedenckwaerdi- ghe reyse. Daerom zijn ons verscheyde saecken, door haer Naviga- tien bekent gheworden, aenghemerckt de conditie van dit Indien is: Datter altoos noch meer ontdeckt wordt, aenden neerstigen onder- soecker, so groote dingen worden van dat landt gheseyt. Behalven Nu door de dese tochten van dees vermaerde Natiën, is oock ten laetsten in Hol- Hoiianders. j^j^^j^. (^^^^ Landtschap dat alsins ghenoch bekent is) eenighe persoo- nen inghecomen : Dat men wel soude moghen schepen toe rusten, die stofferen ende in Indien naer het Oosten seijnden, die souden daer moghen handelen, Speceryen coopen, &c. dan met een doorgaende Reyse aen Hollandt, oock andere omliggende landen, die so seer ghe- achtecostelijckheden van dat gewest laeten sien, niet van vreemden toeghevoert, maer by hen eyghen Landtsaten ghehaelt. Dat mocht eenighe goede luyden onghelooflijck dencken ende onmoghelijck, aenghemerckt de langhe reyse, de periculen van dien, d'ongewoonte ende d'oncundicheyt, by den genen die noyt op sodanige stroomen [A2v°] ghedwaelt hadden. Het soude eer rasernye zijn dan wijsheyt, verme- telheyt dan eenich vroom bestaen. Maer niet tegenstaende : Wy heb- ben ghesien vier schepen uytvaren, die naer groote accidenten, haer handel gedreuen hebben, zijn oock wederom gecomen, ende hebben mede ghebracht tgeen men noyt geloofde, dat eenige Hollandtsche schepen van so wyde wegen souden connen halen. Wat sal ick hier meer verwonderen, of de vromicheyt vant bestaen, of het gheluck van het eynde? Om yet wat van dese Reyse den lustigen Leser aen te die- nen: Wy sullen het geen onshieraf verhaeltis, ende gelevert stellen, met de beschryvinge vande Landen, Zeden ende Costumen, die in dese Navigatie hen gheopenbaert hebben, aen onse Hollandtsche Coopluyden ende Schipperen.

Beschryvin- So staet dan te weten =) dat int jaer 1 595. den 10. Martij, zijn van neer^nde Amsterdam vertrocken 3. schepen ende een Pinas, om de reyse naer hoe de sche- Oost-Indien te beginnen, toegerust van treffelijcke Coopluyden, het

pen zijn uyt- o ' o

gheseylt. jj Wereldreizen van Francis Drake (1577— 1580), en Thomas Cavendish (1586— 1588).

2) Hier begint het eigenlijke Journaal of Dagregister. Dat dit Journaal werd gehouden

a/b Hollandia, blijkt implicite op verschillende plaatsen, en geheel afdoend bij het weer

binnenkomen van het schip te Texel op 14 Aug.iS97; ziealdaar. De tekst van I, éteditio

princeps der Eerste Schipvaart, is in het begin (p. 5—10) vaak hoogst onvoldoende, zelfs fout.

5

eene geheeten Mauritius, een schip van 200. last, op hebbende 6. halve Cortouwen, 14. sware gotelingen, 4. groote steen-stucken, i) versien met 84. mannen, waer op schipper was lan Mollenaer, ende den Commis Cornelis Houtman, 't Schip Hollandia, groot 200. last, versien met 85. man, 7. groote metalen stucken, 4. groote, 8. cleyne steen stucken, 13. groote gotelingen, den schipper /cz;/ Dignums, den Commis Gerrit i'an Buningen. 't Schip Amsterdam, groot on- trent 100, last, versien met 59. man, op hebbende 6. metalen stucken, 10. gotelingen, 6. steen-stucken, de schipper hier van was /rt« /a- cobsz. Schellinger , Commis Reynier van Hel. Het Pinasken oft Duijfken, groot 2 5 . last, op hebbende 20. man, onder schipper Simon Lambertsz. Dese voorsz. schepen zijn den 21. in Texel ghecomen, alwaer zy 12. dagen vertoeft hebben om haer ladinge in te nemen, ende den 2. April tseyl gegaen met eenen n. o. wint.

Den 4. April zijn zy de hoofden ghepasseert, ende den 6. Heyssant Haren coers ghesien. Den 10. April de Barles van Lisboen ghepasseert met eenn^nghen."^" oosten ende noordt oosten wint. Den 17. des morghens gesien twee Eylanden van Canarien. Den 19. Palm en Pic, los Rojneros ghtsl^n, oock Fero ^). Den 25. Boua Visita gesien. Den 26. onder /j-^/? </^ May 3) aent ancker gheleghen. Den 27. van daer gheseylt, onsen cours ghenomen zuydt zuydtoost. Den 3. May 4) hebben wy ghesien twee Conincks schepen, comende van Lisbona, willende varen naer Oost-Indien, groot zijnde elck ontrent 500. tot inde 600. lasten, wy hielden sprake met haer, segghende dat wij wilden naer Streto Magellanes s), de wyle wy beter byden seyl waren, seylden haer ter- stont uyt tghesicht.

Den 12. May hebben wy op de hooghde van 5. graden aen dese zijt den Aeguinoctiael gesproken 5. schepen gheladen met Suijcker, comende van S. Tomé, willende naer Lisbona, daer wy verscheyden brieven in hebben ghevvorpen, die hier in Hollandt seer wel ter handt zijn ghecomen. Onsen cours vervolghende zijn ghepasseert op den 4. Juny de linie Aeqninoctiael. Die groote hitte heeft ons hier onse De victualie victualie bedoruen, onsen ghesouten Visch, oock tVleys is stinckende de ghewor-

i) Over de specificatie der scheeps-artillerie, en de inhoudsmaat der schepen, zie nader bij II, aanhef. Voor het aantal der bemanning, zie III (1915), p. XXXIII noot lo; voor de namen der scheeps-overheden, onzen lateren Commentaar.

a) Palma, (Pico de) Tenerife, Gomera, Ferro of Hierro ; Canarische eilanden.

3) Boa Vista, en (Ilha de) Maio ; Kaapverdische eilanden.

4) Hier schrijft (èn I"" ; zie hierachter) : „Den 4. May" ; hetgeen juist is, blijkens II, III, IV, Aen E.

5) Leugen natuurlijk; Sp. „estrecho de Magallanes", straat (Ital. j/r^//o) Magellaan. „Conincks schepen" = Spaansche, doch hier Port. schepen. Verg. III (1915), p. 3—3-

den ende bedoruen.

Ghepas- seert de drooghte vanBrasi- lien.

Sienteecke- nen vande Caep van Bona Spe- ransa.

Comen in Ague Sam- bras.

Maken vrientschap met d'In- woonders.

Ghedaente vande Os- sen ende Schapen.

geworden, ons Risquijt is schimmelachtich geworden ende bedoruen, ons bier verdoruen,